Nickel van Duijvenboden Kunstenaarsteksten Een vorm van zorgen
(Marijn van Kreij, 2011)
Gloed van binnen
(Wouter van Riessen, 2011)
Kijken naar denken
(JCJ Vanderheyden, 2009)
Een goede tekst kan op een vanzelfsprekende manier een leidende rol aannemen bij het samenstellen van een boek.

Met enige regelmaat ben ik betrokken bij de totstandkoming van kunstenaarspublicaties. Naast het herschrijven, redigeren en vertalen van teksten neem ik interviews af met kunstenaars.

Ondanks het feit dat een interview onvermijdelijk een momentopname is, probeer ik uitspraken te ontlokken die betrekking hebben op het hele oeuvre van de kunstenaar en zijn of haar drijfveren, zodat de tekst een bepaalde spanning en houdbaarheid krijgt.

De fragmenten op deze pagina zijn afkomstig uit langere gesprekken.
Door jouw tekeningen [van Kurt Cobain] krijg ik het gevoel dat zijn sprong in het drumstel voortdurend teruggespoeld en herhaald wordt. Hoeveel heb je er tot nu toe gemaakt?
Een stuk of 40, 45. Toen ik ermee begon, hield ik daar helemaal geen rekening mee. Ik maakte gewoon één tekening. Pas later diende het besef zich aan dat het mij ging om de handeling en de herhaling. Ik merkte dat het voor mij heel normaal was om beelden opnieuw te tekenen, maar voor anderen niet. Ik deed het niet met de gedachte: hiermee zeg ik iets over authenticiteit. Ik dééd dat gewoon. Het bewust toepassen kwam pas later.

Zou je het herhalen van een tekening kunnen vergelijken met de manier waarop we naar muziek luisteren? Als je van een bepaald nummer houdt, draai je het in je leven gemakkelijk honderden keren. Een schilderij daarentegen zie je één keer in het museum.
Ja, de ervaring is altijd verbonden aan een moment: je luistert en daarna is het weg. Zeker toen ik eraan begon voelde het kloppend om een beeld te gebruiken dat juist chaotisch is, in beweging. Je weet dat er veel geluid is. Het is een moment waarin heel veel tegelijk gebeurt, dat eerst door de fotograaf en daarna door mij nog nadrukkelijker is stilgezet. Achteraf kun je praten over hoe hij in dat drumstel ligt, dat het een klassieke foto is die veel mensen kennen of denken te kennen. Ik heb een boek waarin het origineel staat, maar ook foto’s van net vóór en net na dat moment. Misschien is dat wel jammer.

Waarom zou dat jammer zijn?
‘De gedachte dat het evengoed een ander beeld had kunnen zijn. Ik ken het op deze manier. Om erachter te komen dat er ook andere bestaan, en bijvoorbeeld dat de versie die ik gebruik eigenlijk een uitsnede is – daarvan kun je je afvragen: hoe belangrijk is het? Mijn versies van dit beeld zijn ook niet identiek. Een tijdlang heb ik enkele details naar mijn hand gezet, zoals de stand van het drumstokje. Ik verschoof de benen iets. Kleine verschillen, als verspringende frames in een film. Deze hier is een buitenbeentje. Ik heb Kurts hoofd iets laten zakken. Waarom weet ik niet, daar denk ik niet teveel over na. Ik doe het gewoon en dan is het al gebeurd.’

Vind je ‘het orgineel’ een overschat concept en gaat het jou meer om het doen zelf, de blik op iets, de verwerking?
[Bedachtzaam.] Als je een werk maakt, maak je constant beslissingen. En ja, ik wil gewoon heel graag dat je voelt dat het juist níet bedacht is, dat het gewoon ontstaan is, snap je? Er is een neiging om het continu in te kaderen, maar zodra je dat doet verlies je ook de spanning dat iets onverwachts kan gebeuren, iets buiten jezelf om, iets wat je niet had kunnen bedenken. Met mijn bewustzijn zou ik nooit kunnen doen wat ik met het toeval kan.
Marijn van Kreij: How to Look Out
De Hallen Haarlem, 2011
ISBN 978-94-90198-00-8

Engels en Nederlands
17 x 24 cm / 112 p. / paperback
€10

Bestel hier
Als je Wouter van Riessen alleen kent van zijn schilderijen, is het een eigenaardige sensatie een man van vlees en bloed de hand te schudden die zijn gezicht draagt. Verschillende versies van dat gezicht duiken op in zijn werk, waardoor je je onherroepelijk een beeld vormt van de persoon. Die voorstelling is echter weerbarstig, onaf en weinig menselijk, zodat veel aan de eigen verbeelding wordt overgelaten.

[...]

Een groot deel van je werk bestaat uit zelfportretten. Toch kon ik me geen duidelijk beeld van jou vormen. Er is iets waar ik niet de vinger op kan leggen.
Dat komt misschien doordat het niet heel realistische zelfportretten zijn. Ze gaan eigenlijk niet over mij, tenminste niet in de zin dat er een persoonlijkheid of identiteit wordt afgebeeld. De zelfportretten zijn meer bedoeld een onderzoek naar het ‘zelf’ – als begrip, als ervaring. Voor mij voelt het heel logisch om daarmee bezig te zijn; het onderwerp is heel dichtbij. Je ervaart de wereld immers dóór het zelf. Zonder het zelf geen wereld.

Laten we bij het begin beginnen. Wanneer begon je zelfportretten te schilderen?
Als adolescent, op de kunstacademie. Het waren altijd mijn interessantste schilderijen. Aanvankelijk hadden ze een psychologische lading. Ik wilde onderzoeken wie ik was, wie ik wilde zijn, en hield me vooral bezig met het uitdrukken van sferen en gemoedstoestanden. Later, op de Rijksakademie, kreeg het vinden van een eigen stijl meer nadruk. Vanaf dat moment kregen de zelfportretten iets popachtigs. Ik herinner me dat ik dacht: ‘Stik, ik maak poppen. Wat moet ik hiermee?

Het gebeurde onwillekeurig?
Een schilderij maken is moeilijk. Als je geen natuurlijke virtuositeit bezit, moet je een manier vinden om het gedaan te krijgen. [...] Een methode is om de vormen terug te brengen tot een basisvorm. Wanneer je een gezicht schildert, eerst een cilinder schilderen. Dat paste ik toe in mijn werk, maar dat liet sporen na. Ik schilderde cilinderkoppen. Natuurlijk bestaat daar in het modernisme een hele traditie van, maar ik wilde zelfportretten maken. Dat bracht me aan het denken: wat is eigenlijk het verschil tussen een zelfportret en een pop? Bij een pop moet de kijker zelf het leven projecten. Denk aan poppenkast – hoe levendig kinderen daarbij fantaseren, terwijl de uitdrukking van de poppen onveranderlijk is en er geen décor is. [...] Ik begon het meer filosofisch te benaderen, en zag dat het zelfbeeld eigenlijk veel meer een constructie is dan we geneigd zijn aan te nemen. De pop als zelfportret is accurater dan je op het eerste gezicht zou denken.
Wouter van Riessen: Inner Glow
Roma Publications, 2011
ISBN 978-90-77459-61-4

Engels óf Nederlands
17 x 23,5 cm / 32 p. / paperback
€10

Bestel hier
Uw werk wekt de indruk dat ik u bij wijze van spreken direct bij binnenkomst grote vragen zou kunnen voorleggen.
Het amuseert JCJ Vanderheyden zichtbaar, maar hij relativeert het direct. ‘Ik zou willen dat het zo was. We kunnen het proberen.’

In de trein las ik uw statements. Ze hebben een filosofisch karakter. Heeft kunst iets uit te staan met filosofie?
‘Kunst kan een vorm zijn van filosoferen. Kunst en filosofie zijn beide manieren van weten. Ik zie ze als parallel aan elkaar, de een is niet onderhevig aan de andere, tenminste zolang het geen vormen van geschiedenis, of kunstgeschiedenis, betreft. Daarmee heeft het niet zoveel te maken.’

Bij het lezen van filosofie heb ik vaak de sensatie dat ik het weg wil leggen zo gauw het een snaar raakt. Niet uit ongeduld, maar meer omdat ik al doende zelf de volgende stap wil zetten. Een goede zin heeft dat effect, dat je wilt gaan werken.
‘Voor mij klinkt dat logisch. Dat komt doordat het doen dat bij kunst hoort ook een manier kan zijn van filosoferen. Ik persoonlijk doe dingen eerder dan ik ze denk. Het is een andere manier om tot inzichten te komen. Geschreven filosofie raakt mij niet. Ik ken enkele filosofen en het is frappant om te merken dat ik vaak moet zeggen: dat wist ik al. Dat is eigenlijk ook niet zo vreemd. Het zal wel meer kunstenaars overkomen, althans een bepaald type kunstenaar. Verder kun je moeilijk een vergelijking maken met beeldende kunst, omdat filosofie een vorm is van schrijven, van woorden.’

Ik heb altijd gedacht dat het beeld een vehikel is van verbale taal. Maar u heeft eens geschreven: ‘Het beeld is in staat tot datgene wat het woord of de taal niet kan benoemen.’
‘Dat vind ik nog steeds. Volgens mij kun je in taal geen analogie aanleggen van beelden. Mijn schilderijen kun je ook niet uitleggen in woorden, dat heeft helemaal geen zin. Het praten en schrijven over kunst heeft vaak te maken met het verantwoorden van de vorm, maar als het goed is verantwoordt kunst zichzelf.’
jcj vanderheydenJCJ Vanderheyden: The Analogy of the Eye
Roger Willems (red. )
Roma Publications, 2009
ISBN 978-90-77459-31-7

Engels, Nederlands en Portugees
21 x 26 cm / 264 p. / paperback
€30

Bestel hier