Nickel van Duijvenboden Aankondigingen Geen spiegel kan je behoeden (2011) Aleksander (2010) Panopticon (2010) Laatkomers (2009) Indirecte rede (2008–09) Plateau (2008) Reservoir (2008) Hohenau (2008) Wildkijkscherm (2008) Gedaanteverwisseling (2007) Ramble (2006) Averechts (2006) Reeks (2003) De grote afwezige (2003)
16.12 Interview Marijn van Kreij in How to Look Out. Opening en boekpresentatie in De Hallen Haarlem

7.12 Nieuw op de site: Kunstenaarsteksten

16.11 Verse artikelen op Endless Lowlands

22.6 Uitgebreid interview op Whatspace, inclusief luisterfragmenten

28.5 Bijdrage aan boek Wouter van Riessen, getiteld Inner Glow.

13.3 Geen spiegel kan je behoeden is uit en vanaf nu te bestellen

Verkooppunten in Amsterdam: Boekie Woekie en Perdu


Over mijn werk

Schrijven en beeldmaken staan dicht bij elkaar in mijn werk. Sinds ik begon is het binnen verschillende contexten geplaatst: fotografie, beeldende kunst, literatuur, kritiek, theorie. Ik heb lang gedacht dat ik een knoop door moest hakken, tot ik besefte dat de ambiguïteit een voorwaarde is om tot mijn werk te komen.

Lees ook het interview.

Het was onontkoombaar. Het reusachtige affiche met het portret van een Amerikaanse schrijfster achtervolgde me overal door de stad.

‘Wat denk je, ga je het lezen?’ vroeg mijn vader terwijl hij me naar het station reed.

‘Absoluut niet.’

‘Waarom toch niet?’

‘Ik vind haar vreselijk.’

‘Heb je haar vorige boek wel gelezen?’

‘Ik kan wel wat belangrijkers verzinnen.’

Hij zuchtte. ‘Wat ben je toch blasé. Iedereen is tegenwoordig op zoek naar waar het zogenaamd allemaal écht om gaat.’

‘Ik zou niet weten wat daar verkeerd aan is.’

‘Het is heel bevrijdend om af en toe zo’n lekkere pil te lezen. Je moet voor dat soort dingen openstaan. Anders ga je er juist aan voorbij, het echte, het niet-gemaakte. Stel je voor dat andere mensen de indruk krijgen dat jij zo’n schrijver waardeert!’ Hij snoof. ‘Als je daar niet zo mee bezig zou zijn, dan komen ze er snel genoeg achter.’

‘Daar gaat het helemaal niet om. Het is de sfeer die eromheen hangt. Het ligt er zo dik bovenop. Mensen zo ver proberen te krijgen dat ze een boek kopen om de foto op de kaft, opklopperij vind ik dat. Ik hoef dat boek niet. En ik ga me al helemaal niet verdedigen.’

‘Dat doe je nu toch.’

‘Ja, omdat je me uit de tent lokt.’

‘Dat antwoord had je klaar,’ zei mijn vader, het gesprek besluitend. Ik kon niets meer bedenken om te zeggen, ook al dacht ik daar de hele terugreis over na.


(zondag, 13 oktober 2002)



* * *



Geheel tegen mijn gewoonte in kroop ik terug in bed toen zij eenmaal de deur uitging, op weg naar haar werk. Ze vertrok terwijl ze zei dat ze überhaupt niet begreep waarom zij met mij in één huis leefde. Met het laatste woord sloot ze de deur.

Nu ze op papier staan, de zinnen die me benieuwden, ben ik niet onder de indruk. Winogrand zei: “I photograph to find out what something will look like photographed.”

Perspectiefverschuiving. Dat moet zijn waarom mij iets heugt. Maar over sommige dingen kun je niet schrijven.

(vrijdag, 21 januari 2005)

Stel je een groep mannen voor in uniform, soldaten, hooggeplaatste officieren, natuurkundigen en journalisten. Ze kruipen tegen elkaar aan in een stoffige geul die voor de gelegenheid gegraven is – de zandhapper staat er nog bij en werpt een schaduw over hen. Voor hun ogen strekt zich de woestijn uit, kilometers ver, tot het blikveld wordt onderbroken door een bergketen. Er is niets te zien. Het is is stil. Een warme bries waait over hun hoofden, maakt hen allen gelijk.

Een sirene loeit van verschillende kanten over de vlakte. Het is onmogelijk vast te stellen waar de bron van het geluid zich bevindt.

– Een minuut, zegt iemand.

Er wordt geschoven, geduwd.

– Liggen blijven.

– Maar ik steek erboven uit.

– Zo’n vaart loopt het niet.

– Hoe kun je dat nou weten?

De laatste duwt andermaal op de anderen in. Men klinkt in.

– Heb je kinderen? vraagt hij aan mij.

Ik knik.

– Wat doen we hier, in godsnaam.

– Hou je kop eens dicht, zegt een ander.

Secondenlang blijft het stil. Instinctief buigen de mannen de hoofden. Ik voel hoe de jongen achter mij het zijne op mijn rug legt. Ik weet niet zeker of ik het me verbeeld, maar zelfs met mijn voorhoofd tegen de zanderige wand van de loopgraaf gedrukt en de ogen stijf dichtgeklemd zie ik een lichtflits. Plotseling gaat er een schok door de grond, de woestijnbodem wordt opgeschud als een laken. Dan worden we overspoeld door een laag gebulder, drukkend, alsof rupsbanden over de loopgraaf heen denderen.

Zonder boven de rand uit te komen open ik mijn ogen. Zand en stof vallen in mijn nek. Ik zie niets, niet eens de wand van de loopgraaf, waar mijn vingers in de dorre kluiten grijpen. Het zand dringt overal naar binnen, mijn neusgaten, mijn oren, de kraag en mouwen van mijn jas. Wanneer ik alleen nog het gesuis van verplaatstend stof hoor, durf ik mijn hoofd iets op te richten. Ik voel een warme wind, warmer dan de woestijnlucht.

– Het komt hierheen, roept de man naast me. Er blijft niets van ons over.

We zaten met Parisa in de taxi naar het noorden van Teheran, op weg naar Navids huis. Door het portierraam zag ik hoogbouw voorbijtrekken aan weerszijden van de Kordestan Expressway. De auto maakte een gierend geluid. Het ging net, bergop. De raampjes voorin waren open. De binnenstromende lucht rook metalig en bleef als een plak lood achter mijn huig hangen. De bergen in het noorden gingen schuil achter een grijze wolk. Bij het park voegden we uit en sloten achteraan in de ellenlange file op Valiasr Avenue. De taxichauffeur boog voorover naar zijn radio en stemde af op een zender met moderne Iraanse popmuziek.

‘Het is niet ver meer,’ zei Parisa verontschuldigend. Ze draaide zich om op haar stoel, waardoor haar gordels los schoten. Ze duwde ze onverschillig opzij. ‘Er is geen enkele taxi waarbij dit werkt.’

‘Is dit een dure buurt?’ vroeg ik.

Ze knikte. ‘Schonere lucht.’

‘Waar wonen de mensen uit jullie vriendenkring?’

‘Verspreid door Teheran. De meeste wonen bij hun ouders, in de buitenwijken.’

‘In de goede buurten.’

Ze haalde haar schouders op. ‘Wat maakt dat uit, als je niet weg kan?’

We sloegen af een smalle straat in en stopten bij een hek. Je kon onder het apartementencomplex doorkijken. Het portaal zag er onderhouden uit. Er stonden auto’s geparkeerd die misschien wel twee generaties nieuwer waren dan het gedeukte witte werkpaard dat ons vanuit het centrum naar het hoger gelegen noorden omhoog had getrokken. Via een buzzer werden we binnengelaten. We namen de lift naar de bovenste etage. Navids kamer lag boven zijn ouderlijk huis, een zolderruimte die grensde aan een plat dak. De deur naar het dak stond open. In de kamer hing vaag de geur van hasj. Navid ontving ons enigszins onaangedaan, maar uit de welwillendheid waarmee hij zijn opname-apparatuur voor ons in gereedheid bracht, sprak een verholen enthousiasme.

‘We hebben de fietsen achtergelaten bij de weg en gaan nu te voet verder,’ hoorde ik Stefan achter mij zeggen. Zoals altijd veranderde het besef dat hij aan het filmen was ineens alles.

‘Nickel, waarom lopen we door dit bos?’

‘Om te kijken waar dit pad naartoe gaat.’

‘Wat hoop je te vinden?’

‘Wat ik hoop? Geen idee. Overblijfselen van een strafkolonie.’

‘Ben je niet bang?’

‘Waarvoor?’

‘Lijken.’

Ik wist waar hij dat idee vandaan had. Een paar dagen terug had ik hem een passage voorgelezen over een massagraf. Het beschreef hoe lijken van een bergwand naar beneden schoven, doordat het uitpuilende graf was opengebarsten. De lichamen waren door de permafrost volledig intact gebleven.

‘Of is dat allemaal al weggehaald,’ vroeg hij.

‘Ik denk het niet.’

Hij bleef staan en richtte zijn camera op het karrenspoor, dat hier vrijwel geheel overgroeid was geraakt. Hij merkte niet dat zijn schoen wegzakte in de modderige grond.

‘Hoop je ergens dat we een massagraf vinden aan het einde van dit pad?’

‘Of ik dat ergens hoop? Wat bedoel je, stiekem, diep van binnen? Jezus, Stefan.’

Ik begon weer te lopen.

‘Zo ver wil je toch niet gaan?’ riep hij.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat station zijn we allang voorbij. Als we nu iets vinden dan overkomt het ons. We kunnen niet meer terugspoelen. Als je zonodig een documentaire wilt maken, interview jezelf dan eens.’

Hij zweeg.

‘Je weet waarom we hier zijn. Alles wat we doen staat ervan in het teken. We willen ons ergens een voorstelling van maken, door in contact te staan met de plaats waar het is gebeurd. We zijn geen toeristen. We roepen iets aan dat achter het landschap schuilgaat. Anders zou jij toch gewoon een huis-tuin-en-keuken-film maken? Dan zou het nooit in ons opkomen dat de weg waar we net op fietsten vermalen beenderen van dwangarbeiders bevat.’

Achter me hoorde ik de camera dichtklappen. ‘Je bent gewoon bang voor een gevoel van leegte. Altijd geweest.’

LEV: ‘We vervallen in routines. We kennen onze plaats. We kijken door de camera, de camera tuurt de mist in – en misschien tuurt de mist wel terug, ons in. Niet andersom. We mogen niet bij onszelf naar binnen turen. Net als in de hel van Sartre ontbreekt het ons aan spiegels. Ze stonden niet op de paklijst. In tegenstelling tot alle andere optische instrumenten hechten wij wetenschappers aan spiegels weinig belang.

‘Een paar dagen geleden liet ik haar voor de verandering de dagelijkse foto maken. Haar handen aarzelden bij het lichtmeten en het instellen van de camera. Het was pijnlijk om te zien hoezeer het apparaat haar in zijn greep hield, maar het was op een of andere manier ook veelzeggend. Waarom weet ik niet, maar ik voelde niet de geringste neiging haar te hulp te schieten. Misschien besefte ik dat ze het alleen moest doormaken, zodat ze zou begrijpen dat ze het beter bij tekenen kon houden.’

 

Indirecte rede II, 2009



UTE: ‘Dag drie-eenentachtig herinner ik me levendig. Hoewel, het had evengoed een andere dag kunnen zijn. Hij informeerde optimistisch naar mijn tekening. Of hij al af was. Ik reikte hem het blad aan. Hij zei dat het tekening nummer 381 was. Zoveel al? vroeg ik me af. Ik volgde zijn bewegingen terwijl hij naar de stellingkast liep en een van de archiefdozen pakte. Hij klapte hem open en legde het vel bovenop. Hij keek even naar de voorstelling, tilde toen aan één hoek de stapel omhoog en liet de vellen langs zijn duim terugritsen.

‘Ik vroeg hem waarom hij dat deed. Hij begreep niet wat ik bedoelde. Dat opbergen. Dat bijhouden. Hij haalde zijn schouders op en zei dat het niets voorstelde. Ik zei dat het tekenen ook niets voorstelde. Hij antwoordde dat het tekenen de hoofdbezigheid van de expeditie was. Ik schudde mijn hoofd en herinnerde hem eraan dat hij voor het onderzoek iedere dag een foto maakte met de technische camera. Ik zei dat ik daar niet tegenop kon. Toen zei hij: Precies. Maar je doet het toch. Daar kan ík niet tegenop.’

 

Indirecte rede I, 2008

Lev. Hij was niet teruggekomen. Uit angst het mentale beeld van zijn gezicht, zijn lichaam en zijn bewegingen kwijt te raken, klampte ze zich vast aan wat ze zich enigszins helder voor de geest kon halen. Een laconiek gezicht boven een gele winterjas. Gehurkt boven de koperen capsule. Waarom ze juist dat moment nog helder voor ogen had... Het was niet de situatie waarin zij een mentale foto gemaakt had willen hebben, ook al was het waarschijnlijk de laatste keer dat zij hem goed in zich had opgenomen – de laatste keer dat zij hem op een blik had betrapt die haar vleide, overbewust maakte van haarzelf wanneer ze met haar werkend lijf het zijne schampte.

Dat zij juist een moment koesterde waarin hij een soort spiegel voor haar eigen verlangens was vond ze vreselijk egoïstisch, maar hoezeer ze ook probeerde haar concentratie op een andere versie van Lev te richten, haar gedachten stoven uiteen bij iedere poging. Haar onvermogen zich hem in andere situaties te verbeelden tergde haar, maar ze moest het accepteren. Was ze daarom niet verder naar hem op zoek gegaan, omdat ze zichzelf een beeld wilde besparen? Uit angst dat ze hem zou aantreffen, zodat ze zelfs in haar verbeelding niets meer van hem in leven zou kunnen houden?

Aan de andere kant was wat ze bij de radiotoren gezien had misschien wel een even harde realiteit. De gedachte aan het lijmachtige wak en het ganzendons mengde zich voortdurend met het andere beeld. Het een was bezig het ander te vervangen. Weinig indrukken waren zo: krachtig genoeg om haar de uitweg te ontzeggen. Hoewel ze voldoende had gezien om aan te nemen dat hij er niet meer was, was het niet genoeg om het definitief te aanvaarden. Ze was erin opgesloten.

Hauser voelde zich alsof zijn keel werd dichtgeknepen. De scène greep hem aan, maar hij kon er niet precies de vinger op leggen. Onderwijl was de scenarist naast hem komen staan.

‘Dit was een ontzettend moeilijk stuk om te schrijven,’ fluisterde hij.

Hauser vermeed het hem aan te kijken. ‘Ja?’

‘Afleiding,’ ging de scenarist door. ‘Heb ik altijd. Films kijken. Foto’s ordenen. Muziek luisteren. De krant lezen. Het is verschrikkelijk.’

Hauser knikte. Hij wist niet waar de scenarist het over had.

‘Het is de verwachting. Het moet memorabel zijn. Een nieuw beeld. Minder mag het niet zijn. Maar door de druk zoek ik steeds de weg van de minste weerstand. Zoiets als dit schrijf ik vanuit mijn ooghoeken, in een paar seconden, tussen de bedrijven door, tussen het koffie zetten en tv kijken in. Het heeft niets meer met concentratie te maken. Alleen maar met versnippering.’

‘Versnippering,’ herhaalde Hauser.

‘Ja. Als modus. In plaats van concentratie. We hebben geen adempauze meer nodig om de indrukken die op ons afkomen te verwerken. Die tijd is achter ons. De overgang van het ene in het andere is naadloos.’

De scenarist staakte zijn monoloog doordat de regisseur afgeleid achterom keek. In de stilte die volgde kon Hauser zich weer op de acteurs richten. De man was blijven liggen terwijl de jongen de donkerte van de loods inliep. Het beeld van het kind dat alleen zijn weg zocht, maakte iets in hem los dat hij niet wist weg te slikken. Het was verpletterend.

‘Stop maar,’ zei de regisseur plotseling. ‘Inpakken.’

Terwijl de hele ploeg zich langzaam in beweging zette, beende hij als eerste naar de deur. Hij viste zijn donkere bril uit zijn borstzak en schudde de poten los.

‘Dank je wel,’ mompelde hij in het voorbijgaan.

‘Dat was...’ begon Hauser, achter hem aan lopend. ‘Dat was...’

‘Dit was eenmalig,’ zei hij bruusk. ‘Ik schrap deze scène. Ik moest het zien om te weten dat het geschrapt kan worden.’

Het geluid van mijn voetstappen verandert wanneer ik het gruis oploop van het parkeerterrein achter het lage houten kerkgebouw van Hohenau. Het is een fijn soort gruis, ivoorkleurig, als gemalen botten. Het stof bezoedelt mijn schoenen. Een paar meter van de auto blijf ik staan, de aftandse vleeskleurige 504 van Jacq. Ik heb een moment nodig voordat ik mezelf ervan kan overtuigen dat het echt zijn wagen is. Als ik doorloop naar de voorkant, herken ik de dubbele koplampen onmiddellijk, de norse grille waaruit het metalen Peugeot-embleem verdwenen is. Ten overvloede werp ik een blik door het portierraam en zie mijn eigen verfrommelde Kodak-verpakkingen uit de asbak steken.

Verdwaasd loop ik het grasveld op en plof neer aan een houten picknicktafel in de schaduw onder de bomen. De bevestiging dat Jacq hier is, op het moment dat ik was opgehouden erin te geloven, slaat me uit het veld. Voor het eerst speelt er een bewustzijn op dat ik hem ben gevolgd als een rechercheur, dat ik mijn neus in zijn zaken steek. Wat doe ik hier? Het is duidelijk dat niemand behoefte heeft aan mijn omineuze toerisme. Wil ik hem confronteren? Nu ik een spoor van hem heb aangetroffen, kan ik mezelf niet langer voorhouden dat ik enkel en alleen wilde weten wat hij in zijn schild voerde, nee, ik wil hem ter verantwoording roepen. Waarom heeft hij mij alleen gelaten, wat is er zo belangrijk, en wat verdient zoveel geheimhouding?

Intussen peuter ik aan de ingekerfde vormen op het tafelblad. Op verschillende plaatsen is met een scherp voorwerp een vierkant aangebracht, dat is opgedeeld in vier kleinere vierkantjes. De vorm treft me als een restant van een tot inkeer gekomen vandaal: van mijn eigen jeugd herinner ik me dat dit de snelste manier is om een hakenkruis weer uit te vlakken. De haken aan elkaar verbinden zodat je slechts een kozijntje overhoudt. Hoe vaak heb ik dat niet moeten doen, geconfronteerd met de vage schaamte die overbleef nadat ik een schooltafel of een wc-deur met het hoekige icoontje had bezoedeld? De vorm slaagde er altijd in mij te schokken, hoewel ik het agressieve lijnenspel met de haken in een stemming van baldadigheid neertekende. Voor mij was het een symbool voor het onzegbare; zo fout om het te laten staan, kon je niet zijn. Maar de sensatie van het overtreden, om mezelf vervolgens te corrigeren, bracht me dicht genoeg bij de grens om te proeven hoe het was om slecht te zijn.

Hij passeerde het laatste huis en bleef staan. Het was enige jaren geleden gebouwd en nooit bewoond geweest. Door het gaas van de omheining en een weerspiegelende ruit ving hij een glimp op van het interieur. Spaarzaam en elementair was het, een minimum. Tafel bij het raam, twee lage stoelen bij de haard. Gordijnen en lampen ontbraken. Boven de schoorsteenmantel een ingelijst portret. Zelfs zonder goed zicht was hij in staat het te herkennen: het frontale, met het uniform. Hij had het thuis ook. Iedereen had het. Hij stelde zich het stof op de lijst voor, op de meubels, op de vloer. De lucht die er hing. Hij verbeeldde zich de persoon voor wie het huis was gebouwd, maar die er nog nooit was geweest.

Op het terras stonden vier tuinstoelen die op hun voorpoten tegen de tafel leunden. Een gemetselde windkering. Een groen aangeslagen gastank. Een klein zwembad met een betonnen rand, leeg. Het gazon tussen het terras en het zwembad was niet lang geleden gemaaid. Ze onderhielden het, voor de afwezige. Maar verder dan het gras ging het niet. De molshopen waren slechts genivelleerd. Het was een volmaakte metafoor voor het land: een oppervlakkige orde die van binnenuit werd uitgehold.

Terwijl hij zich geruisloos een weg baande door het struikgewas, bleef het ingelijste portret hem helder voor de geest staan. Alsof het hem nakeek. Dat één enkel beeld, dacht hij, in een oneindige reproductie, een absoluut beeldverbod moest illustreren.

Het begint allemaal met een verwijdering uit een gekoeld depot. Een dramatische opwarming volgt, een klim van ongeveer tien graden naar een temperatuur die nog altijd kil is. Zo spendeer je een nacht. De volgende ochtend word je door dezelfde persoon nogmaals naar een warmere plek vervoerd, kamertemperatuur deze keer. Je belandt op een tafel, waar je onder een lamp aan een oppervlakkige studie wordt onderworpen. Eventuele schade wordt geïnventariseerd en vastgelegd. Dit alles gebeurt door gehandschoende vingers. Van het ene op het andere moment word je opengewrikt met een chirurgisch mesje. Er wordt organisch weefsel verwijderd, dat zonder verdere beraadslaging in de vuilnismand verdwijnt. Je belandt naakt op een wit oppervlak dat na een verblindende reeks flikkeringen helwit oplicht. Alles trekt samen; een pijn op moleculair niveau, zo voelt het.

Jaren ben je niet aan zoveel licht blootgesteld. Je herinnert je de eerste keer, toen je zelf nog blanco was en een vrolijk tafereel zich aandiende. Ook dat gebeurde in een onverwachte flits die een lichttekening op je donkere drager brandde. Dat was het begin, 53 jaar geleden, vrijwel meteen gevolgd door een reeks onderdompelingen in een stinkende vloeistof, almaar in het stikdonker. Het beet je uit, deed je opzwellen. Daarna werd je voor het eerst langdurig onder een lamp gehouden. Ze knipten je in gelijke stukjes en klemden je vast in een rechthoekige behuizing, op zo’n manier dat mensen je gefixeerde voorstelling door een raampje in zich op konden nemen zonder dat hun zweterige vingers zich aan je bezondigden.

Vreemd genoeg is de doktershandschoen ditmaal van katoen. Samen met anderen word je onderworpen aan een trage procedure waarbij je van beide kanten door een lichtbaan wordt afgetast. Niets blijft ongezien. Je binnenste wordt blootgesteld, gefragmenteerd en elders gereconstrueerd. Het lijkt erop dat je zelf wordt afgedankt. Naderhand word je terug in de originele staat gebracht, je flinterdunne essentie zonder hechtingen samengevoegd met het raamwerk waar ze uit gelicht zijn. Je voelt je gemangeld; ja dat is het woord, mangelen. Wat is dit voor laboratorium?

Lang niet overal bestaan grenzen, demarcaties, scheidslijnen. Wel graduele overgangen, grijze gebieden bezaaid met brokstukken. Het hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Als je zou uitzoomen tot de spreekwoordelijke Chinese Muurafstand, zou je ofwel helemaal geen grens zien, ofwel een uitgesproken lijn die met grote precisie een gebied doorklieft, ook al valt er aan de oppervlakte geen spoor te bekennen.

Een breuklijn zou je misschien niet eens onderscheiden wanneer je je erop bevindt, terwijl andere plekken een doordringend overgangsgevoel hebben en een soort mentaal vacuüm vormen, onzichtbaar geladen, doordrenkt met geschiedenis. Het bestaan ervan wordt door de zintuigen niet opgemerkt, noch door andere, objectievere mechanismen. Daar, buiten, bergt de natuur langzaam de overblijfselen, ze tegelijk vernietigend en zich erover ontfermend.

Hierbinnen niet. Hier ben ík een van de geborgenen, niet afgeschermd maar nauwlettend in de gaten gehouden, gemonitord. Ieder stukje land is vooraf gepland, nog voordat wij hier neerstreken. Deze plek moest een exacte kopie zijn van onze oorsponkelijke habitat, maar uiteindelijk is het niets meer dan de belichaming van het gebrekkige voorstellingsvermogen van een architect. Misschien is het wel een abstractie van de idee habitat, waarvan alle afzonderlijke ingrediënten weliswaar zijn vertegenwoordigd, maar “vanwege ruimtelijke en financiële begrenzingen” alleen in gereduceerde vorm. De architect zou zich haasten uit te leggen dat alles hier perfect in balans gebracht is, het is nu eenmaal zo dat je met minder parameters meer in de hand kunt houden. Dus ieder element – tot het kleinste korreltje toe – heft een ander op.

De stem kwam van zijn linkerkant.

‘Ja,’ zei de jongen gretig, toen hij werd aangewezen. ‘Ik vroeg me af of u na deze lezing, waarin u eigenlijk alleen werken heeft afgekraakt als ik zo vrij mag zijn – of er ook nog iets is, kunstenaars, werken, boeken, waar u positief over kunt zijn.’

Dit was voor Averechts de moeilijkst denkbare vraag. Hij stond er alleen voor en zette bij voorbaat een verontschuldigende glimlach op. Waarom had hij zich daar niet op voorbereid? Zijn toehoorders keken hem ineens met oprechte belangstelling aan en sommigen hielden zelfs hun pen in de aanslag. Dat was iedere keer weer een vreemde gewaarwording: dat men juist bij hém, de cynicus die uitmuntte in vlammende betogen die altijd tegen iets gericht waren, die dingen alleen in negatieve zin kon bespreken, zo geïnteresseerd leek in zijn smaak... Alsof iemand die perfect zijn aversie voor dingen onder woorden kon brengen, ook wel aanstekelijk zou kunnen vertellen over wat hij liefhad. Zelf  betwijfelde hij of hij überhaupt iets liefhad.

Omdat zijn stilte de grenzen van de gebruikelijke denkpauze begonnen te overschrijden, ging de jongen verzitten en poogde zijn vraag ruggegraat te geven, alsof zij nog niet legitiem genoeg was geweest.

‘Want, als u zelf ook werk maakt, ik bedoel, u bént beeldend kunstenaar, toch? – dan lijkt het mij moeilijk om niet zoiets te hebben als een positieve drijfveer om op te varen. Iets waar u enthousiast over bent.’

Averechts tikte met zijn koker op de rand van de lessenaar, de koker met opgerolde beelden die door hem, inderdaad, niets minder dan afgefakkeld waren...

Wij begeven ons in een stad waar we niet uit kunnen, maar daar merken we niets van. De stad is met een grote zorgvuldigheid gebouwd, en zo dat je ongemerkt in cirkels beweegt. Aan de stadsrand staan rijtjes huizen of struiken, niet heel anders dan die in andere straten, die je dwingen je weer het centrum in te begeven, met een vanzelfsprekendheid die je wil doen geloven dat er achter het laatste straatje nog talloze andere zijn.

Als je wilt kun je huizen in. De beweegruimte strekt zich uit tot verscheidene verdiepingen. Sanitair zul je er niet vinden. Sommige huizen hebben niet eens een voordeur. Je kunt ze alleen vanaf buiten bekijken, maar het ontbreken van een ingang kan je niet beletten je een voorstelling te maken van het interieur.

Ergens in de stad heb je een garage waar je mooie auto’s en motoren kunt opslaan. Op een of andere manier is het nooit moeilijk de toegankelijke huizen of deze garage weer terug te vinden. Als je lang genoeg wacht, rijd je er vanzelf voorbij. Het lijkt wel of de belangrijke en mooie plekken zo zijn bestemd dat ze zich langs die route bevinden, die een vanzelfsprekend onderdeel is van een steeds meer vertrouwde omtrekbeweging.

De verschillende buurten hebben elk een zekere herkenbaarheid. In de straten staan palmbomen, lantarenpalen, verkeerslichten. Wachten op groen licht zou hier alleen absurd zijn. Het is wat dat betreft een bordkartonnen wereld: details lijken zin te hebben, maar dat hebben ze niet.

Tussen ander verkeer zien we af en toe elkaar rijden. We kunnen geen langzamer snelheid aannemen dan de maximale en voelen daar ook helemaal geen behoefte toe. We zijn in deze stad om elkaar dood te maken. Aan de kansen om elkaar iets aan te doen, komt geen einde. De dood is hier een pijnloze, ogenblikkelijk gevolgd door een flits op de spawnpoint van je personage, een flits die je reïncarnatie betekent.

Daags na de opening van mijn expositie word ik gebeld door mijn vader vanuit het buitenland. Hij vraagt hoe de opening is gegaan en of de tentoonstelling een beetje loopt.

‘Het is jammer dat je er niet kon zijn’, is het eerste wat ik zeg.

‘Ik probeer wèl me er een voorstelling van te maken vanuit hier. Ik hoopte dat jij die kon voeden met enkele details’, grapt hij.

Je iets voorstellen. Ogenblikkelijk schiet mij zijn laatste artikel te binnen dat toevallig over dit onderwerp handelt. Mijn vader beweert daarin dat ‘je iets voorstellen’ bestaat uit het daadwerkelijke verplaatsen in de rol die je zou hebben in de situatie waarvan je probeert je een voorstelling te maken; niet uit een simpele mentale visualisatie of projectie, maar uit een daadwerkelijk ‘aanwezig zijn’ of rollenspel, toneelspel zo je wilt, met als enige beperking dat je niet fysiek aanwezig kunt zijn. Met leeftijd komt de bekwaamheid om steeds beter dit inwendige toneelspel voor je te houden: het ongemerkt spelen.

Ik durf mijn vader niet te zeggen dat dit gesprek, tijdens welk hij zich een voorstelling maakt van mijn situatie, een uitgelezen gelegenheid is om zijn bewering te toetsen. Doet hij ècht inwendig of hij bij mij is? Zal hij, als we gesproken hebben, niet meer hoeven komen? Als hij eens wist hoeveel zijn aanwezigheid, of het nu mentaal is of ook fysiek, voor mij zou betekenen.

                               
Nickel van Duijvenboden Amsterdam, 1981 Geen spiegel kan je behoeden (2011) Aleksander (2010) Panopticon (2010) Laatkomers (2009) Indirecte rede (2008–09) Plateau (2008) Reservoir (2008) Hohenau (2008) Wildkijkscherm (2008) Gedaanteverwisseling (2007) Ramble (2006) Averechts (2006) Reeks (2003) De grote afwezige (2003)
Sinds 2003 onderzoek ik vormen van schrijven die grenzen aan beeldende kunst. Dit heeft zowel autonome werken opgeleverd – van boeken tot beeldende kunst, van fictie tot essayistiek – als een aantal langlopende samenwerkingsverbanden en bijdragen aan kunstenaarsboeken en projecten.

Schrijven is voor mij een bewustwordingsproces. Ik schrijf over de waarneming in al zijn facetten, met name afwezigheid, stilte, landschap, vervreemding en trauma. Dit domein wordt ontsloten door de fotografie, mijn oorspronkelijke medium, en andere vormen van registratie die nog altijd een essentieel – zij het grotendeels onzichtbaar – instrument zijn in mijn proces.

Sinds 2008 werk ik aan de inbedding van een schrijf- en onderzoekstraject binnen het curriculum van de fotografieafdeling aan de Gerrit Rietveld Academie.

CV (pdf) | Contact | LinkedIn

Brieven en verzoeken:
nickelvd [at] xs4all.nl

Anonieme mailings:
uitnodigingen [at] endlesslowlands.nl
Uit een brief aan uitgever en ontwerper Roger Willems:

“Waar wordt het kunst, vraag je. Voor wat betreft de tekst zelf komt het puur aan op de houding die eraan ten grondslag ligt. De stukjes zijn een afbakening van de voedingsbodem van mijn schrijverschap. Door te schiften en te schaven probeer ik me er overheen te zetten dat ik ze als adolescent schreef.

“Ik denk dat het vinden van iets essentieels noodzakelijkerwijs op een heel smal en eng punt uitkomt. Uitgebeend, onopgesmukt en zonder poging het breder, kunstzinniger of conceptueler te maken dan het is. Tot er niets meer overblijft dan het blootleggen van de psychologische drijfveren die achter het schrijven schuilen.

“Die waarin ik met mijn vader praat over het wel of niet aanschaffen van een boek (Het niet-gemaakte, 13 okt. 2002) is veelzeggend. Het gaat over hoe belangrijk de blik van anderen voor mij is, maar ook over mijn eigen blik die, zelfs ongehinderd door het bestaan van anderen, van alles en nog wat geneigd is als zelfverraad te beschouwen. Ik denk dat het boek neerkomt op een poging iets te maken waarbij ik geen gevoel heb van verraad.”
no mirrorGeen spiegel kan je behoeden
Nickel van Duijvenboden
Roma Publications, 2011
ISBN 978-90-77459-55-3

Nederlands en Engels
17 x 24 cm / 96 p. / paperback
€13,50

Bestel hier
Aleksander is op middelbare leeftijd als hij zijn vaders brieven uit de jaren ’50 herleest. Hij heeft ze altijd met scepsis benaderd. Niet alleen omdat ze onvoorstelbare verhalen bevatten, maar ook doordat zijn vader hem voor al zijn reizen en avonturen achterliet, en de brieven al in romanvorm had uitgebracht voordat Aleksander oud genoeg was om ze te lezen.

‘Aleksander’ is de voorlopige titel van een kort verhaal in het kader van een langlopende samenwerking met de Antwerpse kunstenaar Geert Goiris. In 2012 staat de publicatie gepland van een omvangrijk boek waarin foto’s van Geert en een fictietekst van mij naast elkaar worden geplaatst.

Geert Goiris reisde tweemaal naar Antarctica voor zijn project Whiteout; The Unreliable Narrator. De beelden van de deze reis vormen samen met zijn overige werk een bevreemdend oeuvre waarin bizarre natuurverschijnselen en objecten een belangrijke rol spelen.

Door Plateau (2008) kwam Geert op het idee om mij carte blanche te geven voor een verhaal. ‘Aleksander’ kan gezien worden als een aanzet voor het uiteindelijke verhaal. Het is geschreven voor een voordracht in de Hamburger Kunsthalle en een publicatie van CAB Burgos.

Download de volledige tekst in Documenten
czar bombaGeert Goiris: Czar Bomba
Geert Goiris, Nickel van Duijvenboden
Caja de Burgos, 2010
ISBN 978-84-92637-35-5

Spaans en Engels
28,5 x 23,8 cm / 72 p. / hardcover
€12,-

Bestel hier
Het korte verhaal Panopticon: Een gefictionaliseerd reisverslag’ is ontstaan als bijdrage aan Sideways. Dit samenwerkingsverband concentreerde zich op een gevoel van onthechting bij kunstenaars, wanneer zij zich tussen verschillende contexten bewegen. Onderdeel van het groepsproces was het maken van een tentoonstelling in Teheran.

Dit proces heb ik beschreven in een autobiografisch reisverslag. Het dubbele gevoel van ‘thuishoren’ en aan de andere kant ‘ontheemding’ is voortdurend aanwezig in situaties waar mijn manier van kijken, gekleurd door taal en fotografie, een rol speelt.

Een ander motief is het paradoxale gevoel dat ik overhield aan de omgang met Iraanse leeftijdgenoten met wie ik tijdens de reis samenwerkte. Hoe meer ik begreep van de politieke druk die zij ervoeren bij het kunst maken, hoe bevrijdender het voor mij was om daar te zijn en met hen te werken.

Panopticon is opgenomen in het omvangrijke boek Sideways: Reflections on Changing Context in Art. De publicatie ervan viel samen met een groepstentoonstelling in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. De kleine catalogus Sideways in Tehran kwam voort uit de activiteiten in Iran. Het verhaal is later in bewerkte vorm opgenomen in de selectie Nabeelden van Rein Jelle Terpstra.
sideways in tehranSideways: Reflections on Changing Contexts in Art
Atousa Bandeh Ghiasabadi, Sara Blokland, Nickel van Duijvenboden, Bassam Chekhes, Katrin Korfmann, Tina Rahimy
Fonds BKVB, 2010
ISBN 978-90-76936-24-6

Engels
22 x 28,5 cm / 148 p. + 32 p. / paperback met ingenaaide reader
€29,95

Bestel hier
sideways in tehranSideways in Tehran
Atousa Bandeh Ghiasabadi, Amirali Ghasemi (red. )
Eigen beheer, 2008

Farsi en Engels
14,5 x 21 cm / 24 p. / brochure

Gratis bij het grote Sideways-boek
In het korte verhaal ‘Laatkomers’ maken twee broers een fietstocht door een niet nader benoemd ‘schuldig landschap’ – een term van Armando om plekken aan te duiden waar misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd. Terwijl de twee op zoek zijn naar overblijfselen, worden ze geconfronteerd met de duistere pracht en verlatenheid van het landschap. De vraag wat hen drijft wordt onderwerp van een broederlijke dialoog.

De motivatie om dit verhaal te schrijven kwam voort uit twee fietsreizen die ik samen met mijn broer maakte langs het voormalige IJzeren Gordijn in Midden-Duitsland. Hoe de beleving van natuur door historische kennis wordt vervormd, was hierbij een motief. Een ander aspect was de problematische verhouding van de generatie ’70 en ’80 met de onvoorstelbaarheid van de Holocaust en de stalinistische strafkampen. Hoe kunnen deze kwesties hun urgentie behouden voor jongere generaties? Kan hun interesse de zucht naar spektakel overstijgen?

‘Laatkomers’ werd geschreven ter gelegenheid van Lunar Distance, een tentoonstelling met een boek, beide samengesteld door Suzanne Wallinga als gastcurator van De Hallen Haarlem. Lunar Distance bevraagt de rol van beeld in relatie tot epistemologische vragen als: “Wat kunnen wij weten?” In het boek staan ook teksten van Arie Altena, Mariska Kriek en Xander Karskens.
lunar distanceLunar Distance
Suzanne Wallinga (red. )
De Hallen Haarlem, 2009
ISBN 978-94-90198-02-2

Nederlands en Engels
17 x 24 cm / 80 p. / paperback
€15,-

Bestel hier (via contactformulier)
In Indirecte rede, een dubbele monoloog op vinyl, zijn de twee personages uit de novelle Plateau aan het woord. De vrouw, Ute, blikt terug op de gebeurtenissen en probeert haar onverwerkte gevoelens een plaats te geven. Aan de andere kant van de plaat horen we Lev, die zich nog onbewust is van het naderend onheil, hardop nadenken over de zin van hun aanwezigheid op het ijs.

Beide stemmen geven blijk van gevoelens voor de ander, maar deze aansluiting eindigt bij de luisteraar, die zelf de plaat moet omdraaien, en de lezer, die weet dat de gebeurtenissen hen al hebben ingehaald.

Indirecte rede I werd uitgesproken door Monica Blok in het kader van een performance door Gwenneth Boelens en mij. Indirecte rede II werd in de studio ingesproken door de Schotse acteur Graham Valentine. De twee monologen werden op vinyl geperst ter gelegenheid van een tentoonstelling in Next Visit, Berlijn, in mei 2009.
jcj vanderheydenIndirect Speech
Nickel van Duijvenboden
Il faut, 2009

Engels gesproken
12" LP / 17 min.

Op aanvraag
Plateau is een novelle over twee wetenschappers die in de Koude Oorlog een jaar lang op Arctisch pakijs bivakkeren. De vraag hoe zij zich moeten verhouden tot dit landschap vormt de kern van een discussie die hen uit elkaar lijkt te drijven.

Het idee voor Plateau ontstond in 2007, tijdens het bladeren in een Encyclopaedia Brittanica uit 1968. Ik realiseerde me dat de enorme hoeveelheid kennis die nodig was geweest om het 25-delige naslagwerk te vullen inmiddels achterhaald was – maar dat maakte het niet minder inspirerend.

Aan de hand van oude zwart-witillustraties en lemma’s over poolverkenningen, satellieten en cartografie ontstond als vanzelf een setting waarin precies dit gevoelsmatige verschil tussen wetenschap en kunst tegen elkaar kon worden uitgespeeld.

Dit gebeurt aan de hand van twee personages: de bedachtzame klimatologe Ute, die pure objectiviteit nastreeft, en de nonchalante Lev, wiens verhouding tot de wetenschap gekenmerkt wordt door ironie. Ondanks dit verschil moeten ze onder ogen zien dat ze allebei onderhevig zijn aan dezelfde omstandigheden: de natuur, de waarneming en elkaar.
plateauPlateau
Nickel van Duijvenboden
Roma Publications, 2008
ISBN 978-90-77459-33-1

Nederlands en Engels
14 x 20,5 cm / 2 x 48 p. / paperback
€13,50

Bestel hier
Het korte verhaal ‘Reservoir’ is geschreven voor het tekstboek Questioning History, over de verbeelding van het verleden in de hedendaagse kunst. Op uitnodiging van Frank van der Stok schreven 18 auteurs een bijdrage, waaronder David Levi-Strauss, Peter Delpeut, Matthew Buckingham en Maria Barnas.

‘Reservoir’ is een van de weinige fictieteksten in het boek. Het heeft als motto een uitspraak van Werner Herzog: “I have the impression that the images that surround us today are worn out; they are abused and useless and exhausted. [...] The lack of adequate imagery is a danger. It is as serious a defect as being without memory. [...] If we do not develop adequate images we will die out like dinosaurs.”

Om uitdrukking te geven aan deze notie wordt een karakter opgevoerd die alles ervaart als een volstrekt nieuwe gebeurtenis, zonder onderscheid te maken tussen opvoering en werkelijkheid. In een nondescript landschap beheert hij twee loodsen: de een schijnbaar leeg, de ander schijnbaar vol.
questioning historyQuestioning History: Imagining the Past in Contemporary Art
Frank van der Stok, Frits Gierstberg, Flip Bool (red.)
NAi Publishers, 2008
ISBN 978-90-5662-659-4

Engels
14.5 x 22.8 cm / 180 p. / paperback
€23,50

Bestel hier
Hohenau is de naam van een dorp dat Duitse kolonisten in Paraguay stichtten. Het speelt een belangrijke rol in het korte verhaal dat ik op verzoek van Wytske van Keulen schreef voor haar fotoboek We would come to doubt everything. And almost everyone would come to doubt.

Een jonge fotograaf bezoekt zijn enigmatische oudoom Jacq, die dertig jaar geleden naar Paraguay verhuisde om redenen die de familie in Nederland nooit helemaal duidelijk zijn geworden. Zijn ambitieuze doel is om het kluizernaarsbestaan van Jacq te “ontsluiten”, maar deze werkt niet echt mee. Onaangekondigd laat hij zijn neef soms dagenlang alleen in het huis achter.

De fotograaf vindt zijn oudoom in Hohenau aan de hand van een knipsel dat hij in een la aantreft. De kop luidt: “Ex-nazikopstukken vestigden zich in Latijns-Amerika”. De geschiedenis is echter gecompliceerder dan het oppervlakkige speurwerk van de fotograaf doet vermoeden.

Het verhaal kwam tot stand aan de hand van associaties met de foto’s die Wytske van Keulen van een ver familielid maakte. Werkelijkheid en fictie vertonen enige parallellen, maar de uitkomst valt totaal verschillend uit.
we would come to doubtWe would come to doubt everything. And almost everyone would come to doubt.
Wystke van Keulen en Nickel van Duijvenboden
Eigen beheer, 2008
ISBN 978-90-813733-1-9

Nederlands en Engels
11.5 x 18 cm / 328 p. / hardcover
€25

Bestel hier
Het korte verhaal ‘Wildkijkscherm’ is geschreven voor het jubileumuitgave van de academie AKV|St. Joost getiteld De laatste fotograaf?

Uitgangspunt voor de tekst was een totalitaire staat waarin een beeldverbod heerst. De hoofdpersoon behoort tot de laatsten die nog over een geladen camera beschikken. We volgen hem op zijn tocht door een spergebied, waarbij zijn persoonlijke en politieke situatie valt op te maken uit zijn observaties.

De titel ‘Wildkijkscherm’ is gebaseerd op gelijknamige objecten die in natuurgebieden te vinden zijn. Ze zijn bedoeld om ongezien het dierenleven te kunnen bekijken. Door hun locatie, bouw en blikveld zou ‘wildkijkscherm’ echter ook kunnen worden opgevat als ‘scherm voor een wilde blik’. Een dergelijk scherm vervult in het verhaal zowel een fysieke als symbolische rol.
de laatste fotograafDe laatste fotograaf?
Flip Bool, Marga Rotteveel, Fw: (red.)
AKV | St.Joost, 2008
ISBN 978-90-76861-15-9

Nederlands
16 x 22 cm / 216 p. / paperback
€17,50

Bestel hier
‘Gedaanteverwisseling’ is een gedachtenstroom van een dubbelzinnig personage, waarin het analyseren van de blik een grote rol speelt. Uitgangspunt is een gevonden fotoalbum waarin te zien is hoe de kampleiding van Auschwitz in de zomer van 1944 van haar vrije tijd geniet. Onder de geportretteerden is ‘engels des doods’ Josef Mengele, die gruwelijke experimenten op gevangenen uitvoerde.

Het deed mij denken aan een reeks kleurendia’s van een Duitse W.O.II-soldaat die ik in 2004 moest digitaliseren in opdracht van het restauratie-atelier waar ik werkte. Ik merkte dat mijn rol ervoor zorgde dat ik beeldmateriaal in de eerste plaats beschouwde op materiaalniveau. Ik handelde zonder me in de betekenis van de beelden te verdiepen.

Die houding staat centraal in ‘Gedaanteverwisseling’. Ik stel me een situatie voor waarin een laborant te maken krijgt met dia’s van Mengele, zonder zich af te vragen wie de afgebeelde persoon is. Deze blik komt overeen met die van de camera: ze toont slechts één dimensie van Auschwitz ’44 en kan geen dieper liggende werkelijkheden ontwaren. De significantie van de beelden wordt dubbel over het hoofd gezien.

‘Gedaanteverwisseling’ is geschreven voor de lezingen-reeks The Past in the Present en voorgedragen in oktober 2007 in Las Palmas, Rotterdam. Er is ook een uitgave van gemaakt in de vorm van Il faut #2. In december 2008 is de tekst opgenomen in het tijdschrift van Fotomuseum Antwerpen.
il faut 2Il faut 2: Gedaanteverwisseling / Metamorphosis
Nickel van Duijvenboden & Gwenneth Boelens
Il faut, 2007

Nederlands of Engels
29,7 x 42 cm / 1 p. / fotokopie met handmatig aangebrachte folie
€15 (met nummers 1 en 4)

Bestel hier
Ramble is geschreven voor een ruimtelijke installatie van beeldend kunstenaar Gwenneth Boelens. De toeschouwer wordt hierin omringd door een fotografisch geconstrueerde plantenmassa. Tegelijk hoort hij een vrouwenstem een monoloog uitspreken over een “artificiële wildernis” waarin niets aan het toeval is overgelaten.

Het werk Ramble bevat meerdere verwijzingen naar pogingen van de mens om de natuur te simuleren. Zowel in tekst als beeld wordt echter de nadruk gelegd op dingen die de mens nooit zou kunnen creëren en details die altijd zullen verraden dat er opzet in het spel is.

Download de volledige tekst in Documenten
il faut 1Il faut 1: Ramble
Nickel van Duijvenboden & Gwenneth Boelens
Il faut, 2006

Engels
18 x 26 cm / 8 p. / brochure
€15 (met nummers 2 en 4)

Bestel hier
De cynische schilder Averechts houdt een lezing op een academie, waarin hij scherpe kritiek uit op kunstenaars die “dartelend” tot hun werk komen. Volgens hem kunnen echte resultaten alleen voortkomen uit “ploeteren”. Wanneer hem na afloop gevraagd wordt zich ook eens positief uit te laten, slaat hij volledig dicht.

Later bekijkt hij vol twijfels zijn eigen werk: schilderijen van gruwelijke taferelen, zoals de uiteengereten lichamen van “WTC Jumpers” en kinderverkrachtingen. Het wordt hem duidelijk dat zijn totale gebrek aan positieve drijfveren alleen tot artistieke stagnatie heeft geleid. Vanaf dat moment staat Averechts voor de taak een tegengif te vinden voor zijn eigen cynische blik.

Voor mij betekende het schrijven van Averechts een breuk met mijn gebruikelijke werkwijze. Niet alleen is het een kort verhaal, terwijl een lezing in alle opzichten meer voor de hand lag; het is ook optimistisch, in tegenstelling tot eerder werk, dat vooral sceptisch en polemisch van toon was.

De lezing die Averechts in het verhaal geeft, is een ironische zinspeling op de werkelijke setting: ‘Averechts’ werd voorgedragen op de Academie Minerva in Groningen. Tijdens de voordracht werden beelden die verband hielden met de tekst vertoond op een televisiemonitor.
Reeks is een monologue intérieur over een virtuele stad gebaseerd op een videogame. Uit de tekst spreekt grote verwondering over het gevoel van ongedwongenheid en willekeur die virtuele werelden kunnen oproepen, ondanks hun nadrukkelijk geconstrueerde aard.

Hoewel het een tekst is, werd Reeks gepresenteerd als kunstobject in een galerie. Het werk bestaat uit een zeefdruk in een editie van twaalf en een cd met geluidsopnamen. Naast een voordracht van de afgedrukte tekst bevat de cd ook een half uur durende opname waarin een vrouwenstem aantekeningen uitspreekt die in de aanloop naar het werk gemaakt zijn.

Doordat dit laatste niet is gerepeteerd, worden de slordige aantekeningen stamelend en onzeker voorgelezen. Dit legt de nadruk op de vertaalslag tussen ruwe ideeën en een compact eindresultaat.

Beluister de geluidsopname in Documenten
reeksReeks
Nickel van Duijvenboden
CD met zeefdruk in oplage 12

Nederlands
14,8 x 21 cm
€120,-
In het essay ‘De grote afwezige’ stel me een situatie voor waarin een vader niet naar de opening van zijn zoons examenexpositie kan komen. Over de telefoon discussiëren ze over de “objectieve foto’s” die de zoon, de ik-figuur, heeft opgehangen. De bevlogen dialoog wordt af en toe onderbroken door citaten en gedachten over kunst, fotografie en verbeelding.

Het essay verwoordt de door mij gevoelde patstelling tussen schrijftaal en beeldtaal. Moet de vader de beelden fysiek komen bekijken, of kan de zoon hem evengoed vertellen wat er in de tentoonstellingsruimte hangt? Tegelijk vertelt ‘De grote afwezige’ een persoonlijker verhaal, dat van een zoon die zich ongezien voelt door zijn vader.

Het stuk is opgenomen in de gelijknamige bundel, waarmee ik afstudeerde. Mijn examen werd gekenmerkt door de totale afwezigheid van beeld. Tijdens de beoordeling en opening droeg ik slechts een fragment voor. Ik studeerde af als fotograaf zonder foto’s.

De in eigen beheer uitgegeven bundel De grote afwezige; Essays over fotografie bevat nog zeven andere essays.
de grote afwezigeDe grote afwezige: Essays over fotografie
Nickel van Duijvenboden
Eigen beheer, 2003

Nederlands
15,5 x 22,5 cm / 48 p. / paperback
€12,50

Bestel hier