| Nickel van Duijvenboden | Documenten | Essay (2008) | ||
|---|---|---|---|---|
| Aleksander (2010) Proloog van een nog onvoltooide tekst in het kader van langlopende samenwerking met Geert Goiris. In mei 2010 voorgedragen in Hamburger Kunsthalle. Nederlands / 4 p. / Download doc Verhaal met gaten (2009) Lezing over de totstandkoming van de samenwerking met fotografe Wytske van Keulen voor het boek We would come to doubt everything. And almost everyone would come to doubt. Met illustraties. Nederlands / 12 p. / Download pdf Ramble (2006) Monoloog bij de gelijknamige installatie door Gwenneth Boelens. Een mijmering over de blik en pogingen van de mens om de natuur na te bootsen. Vertaling van het Engelse origineel. Nederlands / 2 p. / Download doc Wegkijken (2005) Lezing over de onweerstaanbare aantrekkingskracht van schokkende beelden. Met illustraties. Nederlands / 8 p. / Download pdf Aantekeningen (2003) Gesproken tekst op de CD bij Reeks. Aarzelend voorgelezen manuscript over willekeur, denken en schrijven. Nederlands / 25 min. / Download mp3 © Nickel van Duijvenboden, 2003 - 2010 Deze bestanden zijn alleen bedoeld voor persoonlijk of educatief gebruik. Het verspreiden, hosten of publiceren ervan is niet toegestaan zonder mijn uitdrukkelijke toestemming. |
Il faut door Raymond Frenken “No matter how precisely you are able
to reconstruct what you saw, every attempt to put the
pieces together is destined to stay an abstraction.”
Nickel van Duijvenboden, uit: Indirect Speech, 2008 1. Kale witte wanden, een witte vloer, deze ruimte is ingericht voor introspectie, voor onderzoek. De ramen bieden weliswaar zicht op de Rotterdamse straten maar het speelt zich hierbinnen af, op en rond deze tafel en de spiegel die er schuin boven hangt. Op de tafel een loep, een liniaal en een doosje krijtjes. Een paar meter links ervan een houten krat op de vloer, met daarin veelhoekige, platte objecten, scherven bijna. Een vrouw loopt op de tafel toe. Haar alledaagse kleding verraadt niets over waar we ons bevinden. Op het zwarte bureaublad trekt zij langs een lange liniaal witte lijnen, die samen een raster vormen. Met een borsteltje verwijdert ze het teveel aan krijt. Het zijn nauwkeurige bewegingen, maar ze hebben iets ongedwongens, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. De vrouw plaatst een groot ‘fragment’, het is moeilijk het beter te omschrijven, uit de kist op tafel. Het is een grillig gevormd, plat voorwerp met een zwart-witte fotoprint. Op de bovenzijde is zoiets als een ouderwetse televisieantenne herkenbaar. Naast de tafel staat op een standaard een soort plattegrond: een afbeelding waarbij op een eveneens gerasterde ondergrond ontelbaar veel van deze fragmenten liggen, van bovenaf gefotografeerd. Het zijn grote stukken, zoals de vrouw nu vastheeft, maar ook kleine, ter grootte van een glassplinter. De vrouw kijkt naar deze afbeelding en in de hangende spiegel zien we hoe haar handen beheerst het fragment op het tafelblad schikken. Ondertussen horen wij een vrouwenstem een Engelstalige tekst voordragen. Het is bijna niet mogelijk het verhaal te volgen, het staat de concentratie in de weg die nodig is om te letten op de handelingen van de vrouw, deze te duiden. De woorden en zinnen komen dan ook als fragmenten binnen. Af en toe vang ik een flard op: “When the crew hoisted me onto the deck of the icebreaker...” Wat daarbij opvalt is dit: bij het vermengen van twee abstracties wint het meest concrete. In dit geval is dat de handeling die de vrouw uitvoert. Hoe abstract deze ook is. Vorm en handeling staan hier tegenover de tekstuele laag. Nog meer fragmenten worden op het tafelblad geplaatst, maar voor ze dat doet trekt de vrouw eerst de zwart-witte prints los van hun harde onderlaag. Ze legt het onderliggende bloot, zoekt net als wij naar betekenis. Is het de oplossing van een puzzel, of is het de reconstructie – of deconstructie – van het gefotografeerde? “I reminded him that he was the one putting things in order...” Per ongeluk gaat de tl-verlichting in de zaal aan, in de hal lacht een kind, op de schoot van zijn moeder kraait een baby. De vrouw doet denken aan een archeoloog, die nauwgezet in kaart gebrachte bodemvondsten weer tot een geheel probeert te brengen. Of aan een forensisch deskundige, die een door een bom verwoest voorwerp, of botsplinters, tot een betekenisvol geheel reconstrueert. De handeling verwijst hoe dan ook naar iets rampzaligs, of traumatisch, dat achter ons ligt. “Who wouldn’t need some sense of meaning?” In het publiek laat iemand iets per ongeluk vallen. Plotseling legt de vrouw har werk neer en is de performance afgelopen. |
2. In de performances, publicaties en foto-installaties die Gwenneth Boelens (1980) en Nickel van Duijvenboden (1981) samen onder de naam Il faut presenteren, wordt de foto als getrouwe afbeelding van de werkelijkheid – als iets dat ‘geweest is’ – voortdurend ter discussie gesteld. Als toeschouwer word je gevraagd, of gedwongen, een positie in te nemen ten aanzien van noties als abstractie, objectiviteit, fragmentatie en reflectie, die hun weerslag vinden in zowel vorm als inhoud. Zo ook in deze performance, Indirect Speech, die eigenlijk het amalgaam is van twee andere werken. De tekst die werd voorgedragen is een aangepast fragment uit Van Duijvenbodens novelle Plateau (2008). De grillig gevormde stukken die op de tafel worden neergelegd, zijn afkomstig uit Gwenneth Boelens’ installatie A Whole Fragment (2007). In zijn introductie bij de performance zei Van Duijvenboden het al: “Both works are abstracted to obtain a new abstraction”. Geabstraheerde werken die een nieuwe abstractie bewerkstelligen. Terwijl beide werken zélf al behoorlijk abstract zijn. Dat Monica Blok, in de rol van de ‘onderzoekster’, de ogenschijnlijk zinloze handelingen toch een zekere terloopsheid en vanzelfsprekendheid wist te geven, is een prestatie op zich. Deze eenzame onderzoekster is niet de enige waarheidszoeker in het beeldend werk van Boelens en de teksten van Van Duijvenboden. De hoofdpersonen in Plateau zijn twee wetenschappers die tijdens de Koude Oorlog onderzoek doen in het noordpoolgebied en daar met elkaar spreken over de wens om als wetenschapper een onzichtbare schakel te zijn in het overbrengen van informatie. In het gezamenlijke project Ramble wordt verwezen naar het megalomane onderzoeksproject Biosphere 2, waarbij onderzoekers twee jaar lang in een gesloten, kunstmatig ecologisch systeem verbleven. In het korte verhaal Gedaanteverwisseling (2007) lezen we over de ontdekking in een fotografisch laboratorium van oude negatieven die na restauratie foto’s van dokter Mengele prijsgeven. Deze personages bevinden zich doorgaans in ongenaakbare omgevingen
en situaties: laboratoria, het eeuwige ijs van de poolgebieden, een
concentratiekamp, de Koude Oorlog. Ruimten die eerder aangeduid worden,
dan gedetailleerd uitgewerkt. Hetzelfde geldt voor de schematisch opgezette
personages. Deze kaalgestripte figuren, gezichtsloze stemmen in uitzichtloze
omgevingen, dienen slechts één doel: dienen als woordvoerders van abstracte
gedachtestromen. Zoals hij één ervan laat zeggen: “Here inside there are no excesses: no waste, no rudiments, no
history and no passers-by. Only props, parts, plots and roles. It
is as some novelist said: in this story, even if one leaf falls to
the ground, it signifies something. Well now, I may have been assigned
the role of protagonist, but I signify nothing.” Nickel van Duijvenboden en Gwenneth Boelens, uit: Ramble, 2006 De vraag die aan al deze beelden, teksten en gedachten ten grondslag ligt, is die naar de mate waarin de fotografie in staat is om ons – op objectieve wijze – iets te leren over de werkelijkheid. Een vraag die al speelt sinds de ontdekking van de fototechniek en sindsdien op wisselende wijzen is beantwoord. Maar nooit definitief. Laat staan waar het de kunstfotografie betreft. Die is immers bij uitstek subjectief, gekleurd door de blik van de maker, de materiaalkeuze, de uitsnede. In zijn essaybundel De grote afwezige geeft Van Duijvenboden uiting aan zijn afschuw over de sauslaag van maniertjes en esthetische en dramatische clichés die door fotografen worden ingezet om hun beeld van betekenis te voorzien. In plaats daarvan mijmert hij over een zo objectief mogelijke ‘registratiemachine’. In een ‘dagboekfragment’ schrijft hij daarover: “Misschien toont de Hubble-telescoop ons wel dingen die we niet
kunnen zien; daarom heb ik het altijd een fascinerend apparaat gevonden:
juist doordat wij pas kunnen waarnemen en interpreteren als de foto
al is genomen, is de Hubble het perfecte voorbeeld van een objectieve
registratiemachine, althans voor zover je mechanische beperkingen
niet als een subjectivering beschouwt. [...] Maken de Hubble en soortgelijke
instrumenten dan de ‘beste fotografie’? Nee toch. We praten hier
over wetenschap, geen kunst.” Nickel van Duijvenboden, uit: De grote afwezige, 2003 Boelens is het evenmin te doen om de fotografie als doel op zich, met een mooi plaatje als resultaat. In een interview met Het Financieele Dagblad zegt Gwenneth Boelens dat fotografie haar in eerste instantie helpt om greep te krijgen op datgene wat haar fascineert. ‘Daarna volgt altijd nog een vertaalslag.’ Een vertaalslag die dikwijls uitmondt in een versplintering of fragmentering van het gefotografeerde beeld, zoals in A Whole Fragment en deze performance Indirect Speech. Deze (onder)delen kunnen vervolgens in collagevorm weer uitmonden in een nieuw geheel. In Ramble gaf zij vorm aan meer-dan-levensgrote plantenmassa’s, in ander werk leidde dat tot verknipte weergaven van strandhuizen (Apollo Bay) of intrigerende montages van haar studioruimte (Collage Machine). De fotografie wordt door beiden gezien als middel, als manier om naar
iets te kijken. Het is hen te doen om dit kijkproces: de manier waarop
onze blik de wereld stuurt. Hoe innig Boelens en Van Duijvenboden met
hetzelfde onderwerp begaan zijn, blijkt wel uit deze citaten uit Plateau,
waarin de onderzoekers stellen over hun aanwezigheid in de ijsmassa: “ ‘Wij zijn hier te gast,’ zei ze beslist. ‘We komen hier om een
idee te krijgen wat er gebeurt als we er niet zijn. Zo stellen we
ons op.’ [...] ‘Alle kennis zal uiteindelijk vast op een andere, afstandelijke manier worden vergaard. Daar twijfel ik niet aan. Maar hier te zijn zoals wij is iets essentieels. Daar kan geen gecomprimeerde beleving tegenop, daar is geen afsnijweggetje voor.’ ” Nickel van Duijvenboden, uit: Plateau, 2008 Het echoot de woorden van Gwenneth Boelens die zich een jaar eerder in Kunstbeeld afvraagt: “Wanneer een mens ergens naar kijkt [...], is hij in eerste instantie
geneigd zich het middelpunt te voelen waarvoor alles zich voltrekt.
Maar hoe zou het onderwerp van mijn blik eruit zien zonder mijn eigen
aanwezigheid? In dat kijkproces vindt een distantiëring plaats waardoor
de aandacht verplaatst en verscherpt wordt.”
Gwenneth Boelens, in: Kunstbeeld #11, 2007 |
3. Hoezeer Boelens en Van Duijvenboden ook op één lijn zitten wat het thema van hun ‘onderzoek’ betreft, in de uitwerking ervan verschillen zij wezenlijk. Niet in esthetische of stilistische, maar in filosofische zin. Kortweg komt het hier op neer: Boelens neemt het gefragmenteerde beeld tot uitgangspunt en vanuit de details ontstaat een nieuw, groter geheel dat echter nooit absoluut, compleet of kloppend kan zijn. Van Duijvenboden denkt en schrijft vanuit grote lijnen en van hieruit komt hij tot een uitwerking op lagere niveaus. Bijvoorbeeld in de vorm van sprekende en denkende personages. Terwijl Boelens haar studio beziet in de reflectie van de splinters van een kapotgevallen spiegel, droomt Van Duijvenboden van het onpersoonlijke, alziende, objectieve lens-oog van de Hubble dat het heelal inblikt. De ene aanpak is gegrond in de empirie, de ander in de theorie. Om in onderzoekstermen te blijven spreken, gaat Boelens inductief te werk, terwijl Van Duijvenboden deductief werkt. Dat verschil in aanpak – en daarmee van wereldbeeld – zou kunnen leiden tot een botsing, maar leidt bij Il faut tot een aanscherpende spanning in de samenwerking. Dat de wetenschap, laat staan de kunst, niet in staat is een definitief antwoord te formuleren op de vragen naar de werkelijkheidswaarde ervan, doet er niet toe. Wat telt is de ongebreidelde nieuwsgierigheid en de wil het ongekende en onmogelijke op de juiste manier te bevragen. Dat is wat wetenschap en kunst bindt, en in dit geval ook de verschillende posities die Van Duijvenboden en Boelens innemen.
Raymond Frenken (1977) schrijft over
theater, dans en beeldende kunst. Hij is eindredacteur
van Kunstbeeld,
tijdschrift voor moderne en hedendaagse kunst, en redacteur van Tubelight,
tijdschrift voor hedendaagse kunst. Hij studeerde Cultuur-
en Wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht, met (post)moderne
filosofie, literatuur en beeldende kunst als aandachtsgebieden. Dit
essay is geschreven ter gelegenheid van de publicatie
Fw:8 ‘One Weekend’ (2008).Bestel hier |
|