Nickel van Duijvenboden Over mijn werk Laatkomers (2009) Panopticon (2009) Kijken naar denken (2009) Plateau (2008) Reservoir (2008) Hohenau (2008) Wildkijkscherm (2008) Gedaanteverwisseling (2007) Ramble (2006) Averechts (2006) Reeks (2003) De grote afwezige (2003)
Schrijven en beeldmaken staan dicht bij elkaar in mijn werk. Sinds ik begon is het binnen verschillende contexten geplaatst: fotografie, beeldende kunst, literatuur, kritiek, theorie. Ik heb lang gedacht dat ik een knoop door moest hakken, tot ik besefte dat de ambiguïteit een voorwaarde is om tot mijn werk te komen.

– Januari 2010

Lees ook het interview.
‘We hebben de fietsen achtergelaten bij de weg en gaan nu te voet verder,’ hoorde ik Stefan achter mij zeggen. Zoals altijd veranderde het besef dat hij aan het filmen was ineens alles.

‘Nickel, waarom lopen we door dit bos?’

‘Om te kijken waar dit pad naartoe gaat.’

‘Wat hoop je te vinden?’

‘Wat ik hoop? Geen idee. Overblijfselen van een strafkolonie.’

‘Ben je niet bang?’

‘Waarvoor?’

‘Lijken.’

Ik wist waar hij dat idee vandaan had. Een paar dagen terug had ik hem een passage voorgelezen over een massagraf. Het beschreef hoe lijken van een bergwand naar beneden schoven, doordat het uitpuilende graf was opengebarsten. De lichamen waren door de permafrost volledig intact gebleven.

‘Of is dat allemaal al weggehaald,’ vroeg hij.

‘Ik denk het niet.’

Hij bleef staan en richtte zijn camera op het karrenspoor, dat hier vrijwel geheel overgroeid was geraakt. Hij merkte niet dat zijn schoen wegzakte in de modderige grond.

‘Hoop je ergens dat we een massagraf vinden aan het einde van dit pad?’

‘Of ik dat ergens hoop? Wat bedoel je, stiekem, diep van binnen? Jezus, Stefan.’

Ik begon weer te lopen.

‘Zo ver wil je toch niet gaan?’ riep hij.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Dat station zijn we allang voorbij. Als we nu iets vinden dan overkomt het ons. We kunnen niet meer terugspoelen. Als je zonodig een documentaire wilt maken, interview jezelf dan eens.’

Hij zweeg.

‘Je weet waarom we hier zijn. Alles wat we doen staat ervan in het teken. We willen ons ergens een voorstelling van maken, door in contact te staan met de plaats waar het is gebeurd. We zijn geen toeristen. We roepen iets aan dat achter het landschap schuilgaat. Anders zou jij toch gewoon een huis-tuin-en-keuken-film maken? Dan zou het nooit in ons opkomen dat de weg waar we net op fietsten vermalen beenderen van dwangarbeiders bevat.’

Achter me hoorde ik de camera dichtklappen. ‘Je bent gewoon bang voor een gevoel van leegte. Altijd geweest.’

We zaten met Parisa in de taxi naar het noorden van Teheran, op weg naar Navids huis. Door het portierraam zag ik hoogbouw voorbijtrekken aan weerszijden van de Kordestan Expressway. De auto maakte een gierend geluid. Het ging net, bergop. De raampjes voorin waren open. De binnenstromende lucht rook metalig en bleef als een plak lood achter mijn huig hangen. De bergen in het noorden gingen schuil achter een grijze wolk. Bij het park voegden we uit en sloten achteraan in de ellenlange file op Valiasr Avenue. De taxichauffeur boog voorover naar zijn radio en stemde af op een zender met moderne Iraanse popmuziek.

‘Het is niet ver meer,’ zei Parisa verontschuldigend. Ze draaide zich om op haar stoel, waardoor haar gordels los schoten. Ze duwde ze onverschillig opzij. ‘Er is geen enkele taxi waarbij dit werkt.’

‘Is dit een dure buurt?’ vroeg ik.

Ze knikte. ‘Schonere lucht.’

‘Waar wonen de mensen uit jullie vriendenkring?’

‘Verspreid door Teheran. De meeste wonen bij hun ouders, in de buitenwijken.’

‘In de goede buurten.’

Ze haalde haar schouders op. ‘Wat maakt dat uit, als je niet weg kan?’

We sloegen af een smalle straat in en stopten bij een hek. Je kon onder het apartementencomplex doorkijken. Het portaal zag er onderhouden uit. Er stonden auto’s geparkeerd die misschien wel twee generaties nieuwer waren dan het gedeukte witte werkpaard dat ons vanuit het centrum naar het hoger gelegen noorden omhoog had getrokken. Via een buzzer werden we binnengelaten. We namen de lift naar de bovenste etage. Navids kamer lag boven zijn ouderlijk huis, een zolderruimte die grensde aan een plat dak. De deur naar het dak stond open. In de kamer hing vaag de geur van hasj. Navid ontving ons enigszins onaangedaan, maar uit de welwillendheid waarmee hij zijn opname-apparatuur voor ons in gereedheid bracht, sprak een verholen enthousiasme.

Uw werk wekt de indruk dat ik u bij wijze van spreken direct bij binnenkomst grote vragen zou kunnen voorleggen.

Het amuseert JCJ Vanderheyden zichtbaar, maar hij relativeert het direct. ‘Ik zou willen dat het zo was. We kunnen het proberen.’

In de trein las ik uw statements. Ze hebben een filosofisch karakter. Heeft kunst iets uit te staan met filosofie?

‘Kunst kan een vorm zijn van filosoferen. Kunst en filosofie zijn beide manieren van weten. Ik zie ze als parallel aan elkaar, de een is niet onderhevig aan de andere, tenminste zolang het geen vormen van geschiedenis, of kunstgeschiedenis, betreft. Daarmee heeft het niet zoveel te maken.’

Bij het lezen van filosofie heb ik vaak de sensatie dat ik het weg wil leggen zo gauw het een snaar raakt. Niet uit ongeduld, maar meer omdat ik al doende zelf de volgende stap wil zetten. Een goede zin heeft dat effect, dat je wilt gaan werken.

‘Voor mij klinkt dat logisch. Dat komt doordat het doen dat bij kunst hoort ook een manier kan zijn van filosoferen. Ik persoonlijk doe dingen eerder dan ik ze denk. Het is een andere manier om tot inzichten te komen. Geschreven filosofie raakt mij niet. Ik ken enkele filosofen en het is frappant om te merken dat ik vaak moet zeggen: dat wist ik al. Dat is eigenlijk ook niet zo vreemd. Het zal wel meer kunstenaars overkomen, althans een bepaald type kunstenaar. Verder kun je moeilijk een vergelijking maken met beeldende kunst, omdat filosofie een vorm is van schrijven, van woorden.’

Ik heb altijd gedacht dat het beeld een vehikel is van verbale taal. Maar u heeft eens geschreven: ‘Het beeld is in staat tot datgene wat het woord of de taal niet kan benoemen.’

‘Dat vind ik nog steeds. Volgens mij kun je in taal geen analogie aanleggen van beelden. Mijn schilderijen kun je ook niet uitleggen in woorden, dat heeft helemaal geen zin. Het praten en schrijven over kunst heeft vaak te maken met het verantwoorden van de vorm, maar als het goed is verantwoordt kunst zichzelf.’
Zonder iets te zeggen gaf hij haar het objectief aan, een zwaar brok glas dat in de vorm van een zandloper door het lensplankje heen stak. Ze klemde het in de houder, rekte de balg nog iets uit zodat de lens voldoende afstand had tot het matglas om er een beeld op te projecteren, en opende ten slotte de sluiter.

‘En nu?’ zei ze, terwijl ze haar handen liet zakken.

‘Scherpstellen.’

Ze trok de zwarte lap over haar hoofd en liet de met loodjes verzwaarde zoom in een plooi van de balg rusten.

‘Nou?’ vroeg hij.

‘Vormen in een waas.’

Hij lachte geluidloos. ‘Dat kan vandaag niet anders.’

‘Dus de waas moet scherp,’ begreep ze. Ze drukte de loep tegen het matglas, waarop haar adem condens veroorzaakte. Met haar rechterarm tastte ze tevergeefs naar het instelwieltje aan het uiteinde van de loopbodem.

‘Hier,’ zei hij, terwijl hij haar hand leidde. ‘Maak gebruik van de brokken ijs op de grond.’

Met het wieltje draaide ze het objectief een paar slagen naar binnen. De ijsbodem verscheen ondersteboven in de nok van het beeld. Ze stelde scherp op een nog net zichtbare donkere vorm die als een curve opdoemde uit het wit. Hij stak door de mist als een boeg van een schip in een miniatuurwereld. Haar aandacht richtte zich weer op het overzicht.

‘Wat was het ook alweer, één stop overbelichten?’

‘Minstens. Je hebt alleen maar witten, je moet compenseren.’ Hij gaf haar de lichtmeter aan. Er was een geribbeld wit schuifje voor de seleniumsensors geschoven om het invallende licht te temperen. Ze richtte de meter naar het landschap dat voor haar lag, drukte op de schakelaar aan de zijkant van het apparaat en las het af.

Hij knikte terwijl hij de lichtmeter aanpakte en weer in zijn jaszak schoof. Ze stelde het diafragma in, draaide de draadontspanner in de houder, knipte de sluiter dicht en haalde het hendeltje over om hem te spannen. Daarna ging ze achter de camera staan, pakte de zwart metalen cassette van hem over en klemde hem onder het matglas. Ze trok de schuif opzij zodat de film in de camera bloot kwam te liggen en hief haar hand omhoog met de draadontspanner tussen de kootjes van haar vingers geklemd. Zo zag ze haarzelf en Lev staan, op de rug gezien, voor het witte landschap, stil, haar hand geheven. Ze keek over de camera naar de aan het zicht onttrokken Noordelijke IJszee en luisterde naar hun ademhaling. Toen drukte ze de ontspanner in.

Hauser voelde zich alsof zijn keel werd dichtgeknepen. De scène greep hem aan, maar hij kon er niet precies de vinger op leggen. Onderwijl was de scenarist naast hem komen staan.

‘Dit was een ontzettend moeilijk stuk om te schrijven,’ fluisterde hij.

Hauser vermeed het hem aan te kijken. ‘Ja?’

‘Afleiding,’ ging de scenarist door. ‘Heb ik altijd. Films kijken. Foto’s ordenen. Muziek luisteren. De krant lezen. Het is verschrikkelijk.’

Hauser knikte. Hij wist niet waar de scenarist het over had.

‘Het is de verwachting. Het moet memorabel zijn. Een nieuw beeld. Minder mag het niet zijn. Maar door de druk zoek ik steeds de weg van de minste weerstand. Zoiets als dit schrijf ik vanuit mijn ooghoeken, in een paar seconden, tussen de bedrijven door, tussen het koffie zetten en tv kijken in. Het heeft niets meer met concentratie te maken. Alleen maar met versnippering.’

‘Versnippering,’ herhaalde Hauser.

‘Ja. Als modus. In plaats van concentratie. We hebben geen adempauze meer nodig om de indrukken die op ons afkomen te verwerken. Die tijd is achter ons. De overgang van het ene in het andere is naadloos.’

De scenarist staakte zijn monoloog doordat de regisseur afgeleid achterom keek. In de stilte die volgde kon Hauser zich weer op de acteurs richten. De man was blijven liggen terwijl de jongen de donkerte van de loods inliep. Het beeld van het kind dat alleen zijn weg zocht, maakte iets in hem los dat hij niet wist weg te slikken. Het was verpletterend.

‘Stop maar,’ zei de regisseur plotseling. ‘Inpakken.’

Terwijl de hele ploeg zich langzaam in beweging zette, beende hij als eerste naar de deur. Hij viste zijn donkere bril uit zijn borstzak en schudde de poten los.

‘Dank je wel,’ mompelde hij in het voorbijgaan.

‘Dat was...’ begon Hauser, achter hem aan lopend. ‘Dat was...’

‘Dit was eenmalig,’ zei hij bruusk. ‘Ik schrap deze scène. Ik moest het zien om te weten dat het geschrapt kan worden.’

Het geluid van mijn voetstappen verandert wanneer ik het gruis oploop van het parkeerterrein achter het lage houten kerkgebouw van Hohenau. Het is een fijn soort gruis, ivoorkleurig, als gemalen botten. Het stof bezoedelt mijn schoenen. Een paar meter van de auto blijf ik staan, de aftandse vleeskleurige 504 van Jacq. Ik heb een moment nodig voordat ik mezelf ervan kan overtuigen dat het echt zijn wagen is. Als ik doorloop naar de voorkant, herken ik de dubbele koplampen onmiddellijk, de norse grille waaruit het metalen Peugeot-embleem verdwenen is. Ten overvloede werp ik een blik door het portierraam en zie mijn eigen verfrommelde Kodak-verpakkingen uit de asbak steken.

Verdwaasd loop ik het grasveld op en plof neer aan een houten picknicktafel in de schaduw onder de bomen. De bevestiging dat Jacq hier is, op het moment dat ik was opgehouden erin te geloven, slaat me uit het veld. Voor het eerst speelt er een bewustzijn op dat ik hem ben gevolgd als een rechercheur, dat ik mijn neus in zijn zaken steek. Wat doe ik hier? Het is duidelijk dat niemand behoefte heeft aan mijn omineuze toerisme. Wil ik hem confronteren? Nu ik een spoor van hem heb aangetroffen, kan ik mezelf niet langer voorhouden dat ik enkel en alleen wilde weten wat hij in zijn schild voerde, nee, ik wil hem ter verantwoording roepen. Waarom heeft hij mij alleen gelaten, wat is er zo belangrijk, en wat verdient zoveel geheimhouding?

Intussen peuter ik aan de ingekerfde vormen op het tafelblad. Op verschillende plaatsen is met een scherp voorwerp een vierkant aangebracht, dat is opgedeeld in vier kleinere vierkantjes. De vorm treft me als een restant van een tot inkeer gekomen vandaal: van mijn eigen jeugd herinner ik me dat dit de snelste manier is om een hakenkruis weer uit te vlakken. De haken aan elkaar verbinden zodat je slechts een kozijntje overhoudt. Hoe vaak heb ik dat niet moeten doen, geconfronteerd met de vage schaamte die overbleef nadat ik een schooltafel of een wc-deur met het hoekige icoontje had bezoedeld? De vorm slaagde er altijd in mij te schokken, hoewel ik het agressieve lijnenspel met de haken in een stemming van baldadigheid neertekende. Voor mij was het een symbool voor het onzegbare; zo fout om het te laten staan, kon je niet zijn. Maar de sensatie van het overtreden, om mezelf vervolgens te corrigeren, bracht me dicht genoeg bij de grens om te proeven hoe het was om slecht te zijn.

Hij passeerde het laatste huis en bleef staan. Het was enige jaren geleden gebouwd en nooit bewoond geweest. Door het gaas van de omheining en een weerspiegelende ruit ving hij een glimp op van het interieur. Spaarzaam en elementair was het, een minimum. Tafel bij het raam, twee lage stoelen bij de haard. Gordijnen en lampen ontbraken. Boven de schoorsteenmantel een ingelijst portret. Zelfs zonder goed zicht was hij in staat het te herkennen: het frontale, met het uniform. Hij had het thuis ook. Iedereen had het. Hij stelde zich het stof op de lijst voor, op de meubels, op de vloer. De lucht die er hing. Hij verbeeldde zich de persoon voor wie het huis was gebouwd, maar die er nog nooit was geweest.

Op het terras stonden vier tuinstoelen die op hun voorpoten tegen de tafel leunden. Een gemetselde windkering. Een groen aangeslagen gastank. Een klein zwembad met een betonnen rand, leeg. Het gazon tussen het terras en het zwembad was niet lang geleden gemaaid. Ze onderhielden het, voor de afwezige. Maar verder dan het gras ging het niet. De molshopen waren slechts genivelleerd. Het was een volmaakte metafoor voor het land: een oppervlakkige orde die van binnenuit werd uitgehold.

Terwijl hij zich geruisloos een weg baande door het struikgewas, bleef het ingelijste portret hem helder voor de geest staan. Alsof het hem nakeek. Dat één enkel beeld, dacht hij, in een oneindige reproductie, een absoluut beeldverbod moest illustreren.

Het begint allemaal met een verwijdering uit een gekoeld depot. Een dramatische opwarming volgt, een klim van ongeveer tien graden naar een temperatuur die nog altijd kil is. Zo spendeer je een nacht. De volgende ochtend word je door dezelfde persoon nogmaals naar een warmere plek vervoerd, kamertemperatuur deze keer. Je belandt op een tafel, waar je onder een lamp aan een oppervlakkige studie wordt onderworpen. Eventuele schade wordt geïnventariseerd en vastgelegd. Dit alles gebeurt door gehandschoende vingers. Van het ene op het andere moment word je opengewrikt met een chirurgisch mesje. Er wordt organisch weefsel verwijderd, dat zonder verdere beraadslaging in de vuilnismand verdwijnt. Je belandt naakt op een wit oppervlak dat na een verblindende reeks flikkeringen helwit oplicht. Alles trekt samen; een pijn op moleculair niveau, zo voelt het.

Jaren ben je niet aan zoveel licht blootgesteld. Je herinnert je de eerste keer, toen je zelf nog blanco was en een vrolijk tafereel zich aandiende. Ook dat gebeurde in een onverwachte flits die een lichttekening op je donkere drager brandde. Dat was het begin, 53 jaar geleden, vrijwel meteen gevolgd door een reeks onderdompelingen in een stinkende vloeistof, almaar in het stikdonker. Het beet je uit, deed je opzwellen. Daarna werd je voor het eerst langdurig onder een lamp gehouden. Ze knipten je in gelijke stukjes en klemden je vast in een rechthoekige behuizing, op zo’n manier dat mensen je gefixeerde voorstelling door een raampje in zich op konden nemen zonder dat hun zweterige vingers zich aan je bezondigden.

Vreemd genoeg is de doktershandschoen ditmaal van katoen. Samen met anderen word je onderworpen aan een trage procedure waarbij je van beide kanten door een lichtbaan wordt afgetast. Niets blijft ongezien. Je binnenste wordt blootgesteld, gefragmenteerd en elders gereconstrueerd. Het lijkt erop dat je zelf wordt afgedankt. Naderhand word je terug in de originele staat gebracht, je flinterdunne essentie zonder hechtingen samengevoegd met het raamwerk waar ze uit gelicht zijn. Je voelt je gemangeld; ja dat is het woord, mangelen. Wat is dit voor laboratorium?

Lang niet overal bestaan grenzen, demarcaties, scheidslijnen. Wel graduele overgangen, grijze gebieden bezaaid met brokstukken. Het hangt ervan af hoe je ernaar kijkt. Als je zou uitzoomen tot de spreekwoordelijke Chinese Muurafstand, zou je ofwel helemaal geen grens zien, ofwel een uitgesproken lijn die met grote precisie een gebied doorklieft, ook al valt er aan de oppervlakte geen spoor te bekennen.

Een breuklijn zou je misschien niet eens onderscheiden wanneer je je erop bevindt, terwijl andere plekken een doordringend overgangsgevoel hebben en een soort mentaal vacuüm vormen, onzichtbaar geladen, doordrenkt met geschiedenis. Het bestaan ervan wordt door de zintuigen niet opgemerkt, noch door andere, objectievere mechanismen. Daar, buiten, bergt de natuur langzaam de overblijfselen, ze tegelijk vernietigend en zich erover ontfermend.

Hierbinnen niet. Hier ben ík een van de geborgenen, niet afgeschermd maar nauwlettend in de gaten gehouden, gemonitord. Ieder stukje land is vooraf gepland, nog voordat wij hier neerstreken. Deze plek moest een exacte kopie zijn van onze oorsponkelijke habitat, maar uiteindelijk is het niets meer dan de belichaming van het gebrekkige voorstellingsvermogen van een architect. Misschien is het wel een abstractie van de idee habitat, waarvan alle afzonderlijke ingrediënten weliswaar worden vertegenwoordigd, maar “vanwege ruimtelijke en financiële begrenzingen” alleen in gereduceerde vorm. De architect zou zich haasten uit te leggen dat alles hier perfect in balans gebracht is, het is nu eenmaal zo dat je met minder parameters meer in de hand kunt houden. Dus ieder element — tot het kleinste korreltje aan toe — heft een ander op.

De stem kwam van zijn linkerkant.

‘Ja,’ zei de jongen gretig, toen hij werd aangewezen. ‘Ik vroeg me af of u na deze lezing, waarin u eigenlijk alleen werken heeft afgekraakt als ik zo vrij mag zijn— of er ook nog iets is, kunstenaars, werken, boeken, waar u positief over kunt zijn.’

Dit was voor Averechts de moeilijkst denkbare vraag. Hij stond er alleen voor en zette bij voorbaat een verontschuldigende glimlach op. Waarom had hij zich daar niet op voorbereid? Zijn toehoorders keken hem ineens met oprechte belangstelling aan en sommigen hielden zelfs hun pen in de aanslag. Dat was iedere keer weer een vreemde gewaarwording: dat men juist bij hém, de cynicus die uitmuntte in vlammende betogen die altijd tegen iets gericht waren, die dingen alleen in negatieve zin kon bespreken, zo geïnteresseerd leek in zijn smaak... Alsof iemand die perfect zijn aversie voor dingen onder woorden kon brengen, ook wel aanstekelijk zou kunnen vertellen over wat hij liefhad. Zelf  betwijfelde hij of hij überhaupt iets liefhad.

Omdat zijn stilte de grenzen van de gebruikelijke denkpauze begonnen te overschrijden, ging de jongen verzitten en poogde zijn vraag ruggegraat te geven, alsof zij nog niet legitiem genoeg was geweest.

‘Want, als u zelf ook werk maakt, ik bedoel, u bént beeldend kunstenaar, toch? — dan lijkt het mij moeilijk om niet zoiets te hebben als een positieve drijfveer om op te varen. Iets waar u enthousiast over bent.’

Averechts tikte met zijn koker op de rand van de lessenaar, de koker met opgerolde beelden die door hem, inderdaad, niets minder dan afgefakkeld waren...

Wij begeven ons in een stad waar we niet uit kunnen, maar daar merken we niets van. De stad is met een grote zorgvuldigheid gebouwd, en zo dat je ongemerkt in cirkels beweegt. Aan de stadsrand staan rijtjes huizen of struiken, niet heel anders dan die in andere straten, die je dwingen je weer het centrum in te begeven, met een vanzelfsprekendheid die je wil doen geloven dat er achter het laatste straatje nog talloze andere zijn.

Als je wilt kun je huizen in. De beweegruimte strekt zich uit tot verscheidene verdiepingen. Sanitair zul je er niet vinden. Sommige huizen hebben niet eens een voordeur. Je kunt ze alleen vanaf buiten bekijken, maar het ontbreken van een ingang kan je niet beletten je een voorstelling te maken van het interieur.

Ergens in de stad heb je een garage waar je mooie auto’s en motoren kunt opslaan. Op een of andere manier is het nooit moeilijk de toegankelijke huizen of deze garage weer terug te vinden. Als je lang genoeg wacht, rijd je er vanzelf voorbij. Het lijkt wel of de belangrijke en mooie plekken zo zijn bestemd dat ze zich langs die route bevinden, die een vanzelfsprekend onderdeel is van een steeds meer vertrouwde omtrekbeweging.

De verschillende buurten hebben elk een zekere herkenbaarheid. In de straten staan palmbomen, lantarenpalen, verkeerslichten. Wachten op groen licht zou hier alleen absurd zijn. Het is wat dat betreft een bordkartonnen wereld: details lijken zin te hebben, maar dat hebben ze niet.

Tussen ander verkeer zien we af en toe elkaar rijden. We kunnen geen langzamer snelheid aannemen dan de maximale en voelen daar ook helemaal geen behoefte toe. We zijn in deze stad om elkaar dood te maken. Aan de kansen om elkaar iets aan te doen, komt geen einde. De dood is hier een pijnloze, ogenblikkelijk gevolgd door een flits op de spawnpoint van je personage, een flits die je reïncarnatie betekent.

Daags na de opening van mijn expositie word ik gebeld door mijn vader vanuit het buitenland. Hij vraagt hoe de opening is gegaan en of de tentoonstelling een beetje loopt.

‘Het is jammer dat je er niet kon zijn’, is het eerste wat ik zeg.

‘Ik probeer wèl me er een voorstelling van te maken vanuit hier. Ik hoopte dat jij die kon voeden met enkele details’, grapt hij.

Je iets voorstellen. Ogenblikkelijk schiet mij zijn laatste artikel te binnen dat toevallig over dit onderwerp handelt. Mijn vader beweert daarin dat ‘je iets voorstellen’ bestaat uit het daadwerkelijke verplaatsen in de rol die je zou hebben in de situatie waarvan je probeert je een voorstelling te maken; niet uit een simpele mentale visualisatie of projectie, maar uit een daadwerkelijk ‘aanwezig zijn’ of rollenspel, toneelspel zo je wilt, met als enige beperking dat je niet fysiek aanwezig kunt zijn. Met leeftijd komt de bekwaamheid om steeds beter dit inwendige toneelspel voor je te houden: het ongemerkt spelen.

Ik durf mijn vader niet te zeggen dat dit gesprek, tijdens welk hij zich een voorstelling maakt van mijn situatie, een uitgelezen gelegenheid is om zijn bewering te toetsen. Doet hij ècht inwendig of hij bij mij is? Zal hij, als we gesproken hebben, niet meer hoeven komen? Als hij eens wist hoeveel zijn aanwezigheid, of het nu mentaal is of ook fysiek, voor mij zou betekenen.

                           
Nickel van Duijvenboden Biografie Laatkomers (2009) Panopticon (2009) Kijken naar denken (2009) Plateau (2008) Reservoir (2008) Hohenau (2008) Wildkijkscherm (2008) Gedaanteverwisseling (2007) Ramble (2006) Averechts (2006) Reeks (2003) De grote afwezige (2003)
Nickel van Duijvenboden (Amsterdam, 1981) opereert op het breukvlak tussen schrijven en beeldende kunst.

Hij debuteerde in 2003 met De grote afwezige, een poging om beelden te vervangen door taal. Sindsdien onderzoekt hij manieren van schrijven die grenzen aan de beeldende kunst, zoals tekstuele kunstwerken, monologen, geluidsinstallaties en beschouwend werk. De waarneming en de verbeelding zijn hierbij leidmotieven. Eind 2008 verscheen de novelle Plateau, een bespiegeling op de menselijke en mechanische waarneming.

Sinds 2006 vormt Nickel samen met Gwenneth Boelens het initiatief Il faut, dat combinaties van tekst en beeld publiceert. Naast autonoom werkt hij in opdracht en doceert hij aan de fotografie-afdeling van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam.

Download CV (doc)
In het korte verhaal ‘Laatkomers’ maken twee broers een fietstocht door een niet nader benoemd ‘schuldig landschap’ – een term van Armando om plekken aan te duiden waar misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd. Terwijl de twee op zoek zijn naar overblijfselen, worden ze geconfronteerd met de duistere pracht en verlatenheid van het landschap. De vraag wat hen drijft wordt onderwerp van een broederlijke dialoog.

De motivatie om dit verhaal te schrijven kwam voort uit twee fietsreizen die ik samen met mijn broer maakte langs het voormalige IJzeren Gordijn in Midden-Duitsland. Hoe de beleving van natuur door historische kennis wordt vervormd, was hierbij een motief. Een ander aspect was de problematische verhouding van de generatie ’70 en ’80 met de onvoorstelbaarheid van gebeurtenissen als de Holocaust en het stalinistische strafsysteem. Hoe kunnen deze kwesties hun urgentie behouden voor jongere generaties? Kan hun interesse de zucht naar spektakel overstijgen?

‘Laatkomers’ werd geschreven ter gelegenheid van Lunar Distance, een tentoonstelling met een boek, beide samengesteld door Suzanne Wallinga als gastcurator van De Hallen Haarlem. Lunar Distance bevraagt de rol van beeld in relatie tot de epistemologische vragen als: “Wat kunnen wij weten?” In het boek staan, naast ‘Laatkomers’, ook teksten van Arie Altena en Mariska Kriek.
lunar distanceLunar Distance
Suzanne Wallinga (red. )
De Hallen Haarlem, 2009
ISBN 978-94-90198-02-2

Nederlands en Engels
17 x 24 cm / 80 p. / paperback
€15,-

Bestel hier
Het korte verhaal Panopticon, Een gefictionaliseerd reisverhaal is ontstaan als bijdrage aan het samenwerkingsverband Sideways. De samenwerking concentreerde zich op een gevoel van ‘onthechting’ bij kunstenaars, wanneer zij zich tussen verschillende contexten bewegen. Onderdeel van het groepsproces was het maken van een tentoonstelling in Teheran.

De indruk die dit proces op mij maakte, heb ik beschreven in een deels fictief reisverslag. Het dubbele gevoel van ‘thuishoren’ en aan de andere kant ‘ontheemding’ is voortdurend aanwezig in situaties waar mijn manier van kijken, gekleurd door taal en fotografie, een rol speelt.

Een ander motief is het paradoxale gevoel dat ik overhield aan de omgang met Iraanse leeftijdgenoten met wie ik tijdens de reis samenwerkte. Hoe meer ik begreep van de politieke druk die zij ervaarden bij het kunst maken, hoe bevrijdender het voor mij was om daar te zijn en met hen te werken.

Panopticon is nog niet gepubliceerd. Het zal worden opgenomen in een omvangrijk boek dat in maart 2010 verschijnt. De publicatie ervan zal samenvallen met een groepstentoonstelling in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem.
sideways in tehranSideways in Tehran
Atousa Bandeh Ghiasabadi, Amirali Ghasemi (red. )
Eigen beheer, 2008

Farsi en Engels
14,5 x 21 cm / 24 p. / brochure
‘Kijken naar denken’ is een interview met JCJ Vanderheyden. De 80-jarige Bossche kunstenaar staat bekend om zijn abstracte schilderkunst, installaties en foto’s. Vanaf de jaren ’60 heeft zijn werk meerdere cycli doorlopen, om steeds weer uit te komen bij variaties van voorgaand werk. De waarneming is een terugkerend thema, waarbij toeval en experiment mede bepaalden hoe het werk tot stand kwam.

Roger Willems van Roma Publications verzocht mij om het interview te doen in verband met de omvangrijke catalogus The Analogy of the Eye, dat in februari 2009 werd gepubliceerd.
jcj vanderheydenJCJ Vanderheyden: The Analogy of the Eye
Roger Willems (red. )
Roma Publications, 2009
ISBN 978-90-77459-31-7

Engels, Nederlands en Portugees
21 x 26 cm / 264 p. / paperback
€40

Bestel hier
Plateau is een novelle over twee wetenschappers die in de Koude Oorlog een jaar lang op Arctisch pakijs bivakkeren. De vraag hoe zij zich moeten verhouden tot dit landschap, vormt de kern van een discussie die hen uit elkaar lijkt te drijven.

Het idee voor Plateau ontstond in 2007, tijdens het bladeren in een Encyclopaedia Brittanica uit 1968. Ik realiseerde me dat de enorme hoeveelheid kennis die nodig was geweest om het 25-delige naslagwerk te vullen, inmiddels achterhaald was – maar daarmee niet minder inspirerend. Aan de hand van oude zwart-witillustraties en lemma’s over poolverkenningen, satellieten en cartografie ontstond als vanzelf een setting waarin dit verschil tussen wetenschap en kunst tegen elkaar kon worden uitgespeeld.

Dit gebeurt aan de hand van twee personages: de bedachtzame klimatologe Ute, die pure objectiviteit nastreeft, en de nonchalante Lev, wiens verhouding tot de wetenschap gekenmerkt wordt door ironie. Ondanks dit verschil moeten ze onder ogen zien dat ze allebei onderhevig zijn aan dezelfde omstandigheden: de natuur, de waarneming en elkaar.

Plateau verscheen in december 2008 bij Roma Publications. Het is vormgegeven door Roger Willems, geredigeerd door Arnoud Holleman en Cathelijne Hoorn en geïllustreerd door Gwenneth Boelens. Het is mijn tweede boek, volgend op de essaybundel ‘De grote afwezige’ uit 2003.
plateauPlateau
Nickel van Duijvenboden
Roma Publications, 2008
ISBN 978-90-77459-33-1

Nederlands en Engels
14 x 20,5 cm / 2 x 48 p. / paperback
€13,50

Bestel hier
Het korte verhaal ‘Reservoir’ is geschreven voor het tekstboek ‘Questioning History’, over de verbeelding van het verleden in de hedendaagse kunst. Op uitnodiging van Frank van der Stok schreven 18 auteurs een bijdrage, waaronder David Levi-Strauss, Peter Delpeut, Matthew Buckingham en Maria Barnas.

‘Reservoir’ is een van de weinige fictieteksten in het boek. Het heeft als motto een uitspraak van Werner Herzog: “I have the impression that the images that surround us today are worn out; they are abused and useless and exhausted. [...]
The lack of adequate imagery is a danger. It is as serious a defect as being without memory. [...]
If we do not develop adequate images we will die out like dinosaurs.”

Om uitdrukking te geven aan deze notie wordt een karakter opgevoerd die alles ervaart alsof het volstrekt nieuw is. In een nondescript landschap beheert hij twee loodsen: de een schijnbaar leeg, de ander schijnbaar vol.
questioning historyQuestioning History: Imagining the Past in Contemporary Art
Frank van der Stok (red.)
NAi Publishers, 2008
ISBN 978-90-5662-659-4

Engels
14.5 x 22.8 cm / 180 p. / paperback
€23,50

Bestel hier
Hohenau is de naam van een dorp dat Duitse kolonisten in Paraguay stichtten. Het dorp speelt een belangrijke rol in het korte verhaal dat ik op verzoek van Wytske van Keulen schreef voor haar fotoboek We would come to doubt everything. And almost everyone would come to doubt.

Een jonge fotograaf bezoekt zijn enigmatische oudoom Jacq, die dertig jaar geleden naar Paraguay verhuisde om redenen die de familie in Nederland nooit helemaal duidelijk zijn geworden. Zijn ambitieuze doel is om het kluizernaarsbestaan van Jacq te “ontsluiten”, maar deze werkt niet echt mee. Onaangekondigd laat hij zijn neef soms dagenlang alleen in het huis.

De fotograaf vindt zijn oudoom in Hohenau aan de hand van een knipsel dat hij in een la aantreft. De kop luidt: “Ex-nazikopstukken vestigden zich in Latijns-Amerika”. De geschiedenis is echter gecompliceerder dan het oppervlakkige speurwerk van de fotograaf doet vermoeden.

Het verhaal kwam tot stand aan de hand van associaties met de foto’s die Wytske van Keulen van een ver familielid maakte. Werkelijkheid en fictie vertonen enige parallellen, maar de uitkomst is totaal verschillend.
we would come to doubtWe would come to doubt everything. And almost everyone would come to doubt.
Wystke van Keulen en Nickel van Duijvenboden
Eigen beheer, 2008
ISBN 978-90-813733-1-9

Nederlands en Engels
11.5 x 18 cm / 328 p. / hardcover
€25

Bestel hier
Het korte verhaal ‘Wildkijkscherm’ is geschreven voor het jubileumuitgave van de academie AKV|St. Joost. Dit boek heeft als titel ‘De laatste fotograaf?’

Uitgangspunt voor de tekst was een totalitaire staat waarin een absoluut beeldverbod heerst. De hoofdpersoon behoort tot de laatsten die nog over een geladen camera beschikken. We volgen hem op zijn tocht door een spergebied, waarbij zijn persoonlijke en politieke situatie valt op te maken uit zijn observaties.

De titel ‘Wildkijkscherm’ is gebaseerd op gelijknamige objecten die op de Veluwe te vinden zijn. Ze zijn bedoeld om ongezien het dierenleven te kunnen bekijken. Door hun willekeurige locatie, bouw en blikveld zou ‘wildkijkscherm’ echter ook kunnen worden opgevat als ‘scherm voor een wilde blik’. Een dergelijk scherm vervult in het verhaal zowel een fysieke als symbolische rol.
de laatste fotograafDe laatste fotograaf?
Flip Bool, Marga Rotteveel, Fw: (red.)
AKV | St.Joost, 2008
ISBN 978-90-76861-15-9

Nederlands
16 x 22 cm / 216 p. / paperback
€17,50

Bestel hier
‘Gedaanteverwisseling’ is een gedachtenstroom van een dubbelzinnig personage, waarin het analyseren van de blik een grote rol speelt. Uitgangspunt is een gevonden fotoalbum waarin te zien is hoe de kampleiding van Auschwitz in de zomer van 1944 van haar vrije tijd geniet. Onder de geportretteerden is Josef Mengele, de ‘engels des doods’ die gruwelijke experimenten op gevangenen uitvoerde.

Het deed mij denken aan een reeks kleurendia’s van een Duitse soldaat die ik in 2004 moest digitaliseren in opdracht van het restauratie-atelier waar ik werkte. Ik merkte dat mijn rol ervoor zorgde dat ik beeldmateriaal in de eerste plaats beschouwde op materiaalniveau. Ik handelde zonder me in de betekenis van de beelden te verdiepen.

Die houding staat centraal in ‘Gedaanteverwisseling’. Ik stel me een situatie voor waarin een laborant te maken krijgt met dia’s van Mengele, zonder zich af tevragen wie de afgebeelde persoon is. Deze blik komt overeen met die van de camera die het tafereel vastlegt: ze toont slechts één dimensie van Auschwitz ’44 en kan geen dieper liggende werkelijkheden ontwaren. De significantie van de beelden wordt dubbel over het hoofd gezien.

Dat het om Mengele draait wordt niet expliciet gemaakt in de tekst. Er wordt echter veelvuldig verwezen naar zijn praktijken. De manier waarop de dia’s door de laborant worden behandeld en tot zielloos object gemaakt, doet sterk denken aan manier waarop mensen aan experimenten werden onderworpen.

‘Gedaanteverwisseling’ is geschreven voor de lezingen-reeks The Past in the Present en voorgedragen in oktober 2007 in Las Palmas, Rotterdam. Er is ook een uitgave van gemaakt in de vorm van Il faut #2. In december 2008 is het opgenomen in het tijdschrift van Fotomuseum Antwerpen.
il faut 2Il faut 2: Gedaanteverwisseling / Metamorphosis
Nickel van Duijvenboden & Gwenneth Boelens
Il faut, 2007

Nederlands of Engels
29,7 x 42 cm / 1 p. / fotokopie met handmatig aangebrachte folie
€15 (met nummers 1 en 4)

Bestel hier
Ramble is geschreven voor een ruimtelijke installatie van beeldend kunstenaar Gwenneth Boelens. De toeschouwer wordt hierin omringd door een fotografisch geconstrueerde plantenmassa. Tegelijk hoort hij een vrouwenstem een monoloog uitspreken over een “artificiële wildernis” waarin niets aan het toeval is overgelaten.

Het werk Ramble bevat meerdere verwijzingen naar projecten waarin de mens een poging heeft gedaan om de natuur te simuleren. Zowel in tekst als beeld wordt echter de nadruk gelegd op dingen die de mens nooit zou kunnen creëren, en details die altijd zullen verraden dat er opzet in het spel is.
il faut 1Il faut 1: Ramble
Nickel van Duijvenboden & Gwenneth Boelens
Il faut, 2006

Engels
18 x 26 cm / 8 p. / brochure
€15 (met nummers 2 en 4)

Bestel hier
De cynische schilder Averechts houdt een lezing op een academie, waarin hij scherpe kritiek uit op kunstenaars die “dartelend” tot hun werk komen. Volgens hem kunnen grote resultaten alleen voortkomen uit “ploeteren”. Wanneer hem na afloop gevraagd wordt zich ook eens positief uit te laten, slaat hij volledig dicht.

Later bekijkt hij vol twijfels zijn eigen werk: schilderijen van gruwelijke taferelen, zoals de uiteengereten lichamen van “WTC Jumpers” en kinderverkrachtingen. Het wordt hem duidelijk dat zijn totale gebrek aan positieve drijfveren alleen tot artistieke stagnatie heeft geleid. Vanaf dat moment staat Averechts voor de taak een tegengif te vinden voor zijn eigen cynische blik.

Voor mij betekende het schrijven van Averechts een breuk met mijn gebruikelijke werkwijze. Niet alleen is het een kort verhaal, terwijl een lezing in alle opzichten meer voor de hand lag; het is ook optimistisch, in tegenstelling tot eerder werk, dat bij vlagen sceptisch en polemisch van aard was. De hoofdpersoon in het verhaal kan dan ook gezien worden als een alter ego.

De lezing die Averechts in het verhaal geeft, is een ironische zinspeling op de werkelijke setting: ‘Averechts’ is geschreven in opdracht van Academie Minerva in Groningen, waar het in oktober 2006 werd voorgedragen. Dit gebeurde in combinatie met een workshop van de Duitse fotograaf Peter Bialobrzeski. Tijdens de voordracht werden beelden die verband hielden met de tekst vertoond op een televisiemonitor.
Reeks is een monologue intérieur over een virtuele stad, gebaseerd op een videogame. Uit de tekst spreekt grote verwondering over het gevoel van ongedwongenheid en willekeur die virtuele werelden kunnen oproepen, ondanks hun nadrukkelijk geconstrueerde aard.

Hoewel het een tekst is, werd Reeks gepresenteerd als kunstobject in een galerie. Het werk bestaat uit een zeefdruk in een editie van twaalf en een cd met geluidsopnamen. Naast een voordracht van de gedrukte tekst, bevat de cd ook een half uur durende opname waarin een vrouwenstem aantekeningen uitspreekt die in de aanloop naar het werk gemaakt zijn.

Doordat dit laatste niet is gerepeteerd, worden de slordige aantekeningen stamelend en onzeker voorgelezen. Dit legt nadruk op de vertaalslag tussen ruwe ideeën en een compact eindresultaat.
reeksReeks
Nickel van Duijvenboden
CD met zeefdruk in oplage 12

Nederlands
14,8 x 21 cm
€120,-
In het essay ‘De grote afwezige’ stel me een situatie voor waarin een vader niet naar de opening van zijn zoons examenexpositie kan komen. Over de telefoon discussiëren ze over de “objectieve foto’s” die de zoon, de ik-figuur, heeft opgehangen. De bevlogen dialoog wordt af en toe onderbroken door citaten en gedachten over kunst, fotografie en voorstelling.

Het essay is een verwoording van de door mij gevoelde patstelling tussen schrijftaal en beeldtaal. De centrale vraag is dan ook: kan de zoon de vader evengoed vertellen wat er in zijn tentoonstellingsruimte hangt, of moet de vader de beelden fysiek komen bekijken? Tegelijk vertelt ‘De grote afwezige’ een persoonlijker verhaal, dat van een zoon die zich ongezien voelt door zijn vader.

‘De grote afwezige’ is opgenomen in de gelijknamige bundel, waarmee ik afstudeerde. Mijn examen werd gekenmerkt door de totale afwezigheid van beeld. Tijdens de beoordeling en opening droeg ik slechts een fragment uit deze tekst voor. Ik studeerde af als fotograaf zonder foto’s te tonen.

De bundel De grote afwezige; Essays over fotografie bevat zeven essays die samen 48 pagina’s beslaan. De in eigen beheer uitgegeven oplage telde 500 stuks.
de grote afwezigeDe grote afwezige: Essays over fotografie
Nickel van Duijvenboden
Eigen beheer, 2003

Nederlands
15,5 x 22,5 cm / 48 p. / paperback
€12,50

Bestel hier